Mijn lichaam, mijn scherfvest

Nederland-Assen - Drenthe - 28-01-2009 Rouwcentrum de Boskamp te Assen. Overleden man ( 89 ) opgebaard in een van de rouwkamers. Foto: Sake Elzinga
Nederland-Assen - Drenthe - 28-01-2009 Rouwcentrum de Boskamp te Assen. Overleden man ( 89 ) opgebaard in een van de rouwkamers. Foto: Sake Elzinga

Een boer verlaat zijn familie en zijn dorp. Op een afgelegen plek gaat hij onder een boom zitten en wacht op de dood.

Dit verhaal, dat mijn vader in een Russische roman was tegengekomen, helaas weet ik niet welke, heeft hij mij verscheidene malen verteld. Een keer begon hij te huilen toen hij klaar was met vertellen en daarop rende hij naar het toilet. Huilen deed hij uitsluitend op het toilet.

Vermoedelijk vond mijn vader dat deze boer voor een waardige dood had gekozen. Je eigen dood is niet iets waarmee je anderen wilt opzadelen, zelfs je naaste familie niet.

Sterven is een proces dat de waardigheid van de mens langzaam of snel vernietigt, waarbij het nauwelijks uitmaakt of dat proces in gang wordt gezet door een ziekte of door mensenhand, denk bijvoorbeeld aan een ter dood veroordeelde die naar de galg wordt gevoerd. Het sterven is bij uitstek een privé-aangelegenheid, omdat het beschamend is. Doodgaan is een nederlaag: anderen leven verder, jij niet.

Natuurlijk kan de wijze waarop de stervende zich verzet tegen datgene of diegene die hem zijn waardigheid tracht te ontnemen waardig zijn, misschien zelfs heldhaftig. Dat doet niets af aan het feit dat het sterven neerkomt op een radicale vernietiging van de menselijke waardigheid.

Slechts zeer zelden slaat de dood snel en relatief pijnloos toe. Zelfs soldaten aan het front die geraakt zijn door kogels, die met hun voertuig over een mijn zijn gereden, leven in de regel nog minuten, soms uren, voor de dood definitief is. Zij worden door hun kameraden nog op een draagbaar gelegd, naar een helikopter gebracht, gereanimeerd, met morfine verdoofd: het lichaam is taai, het blijft zich verzetten.

Wij veinzen dat de dood een waardig einde kan zijn van ons leven en dat hij bij dat leven hoort zoals een dessert bij een driegangenmenu.

Een vader van twee dochters vertelde mij onlangs dat hij zijn vader die in een verpleegtehuis zit slechts twee keer per jaar opzoekt omdat dat verpleegtehuis hem te veel aan zijn overleden vrouw doet denken die de laatste jaren van haar leven ook in een verpleegtehuis doorbracht.

Zijn reactie is begrijpelijk, maar illustreert eveneens hoe slecht wij ertegen kunnen om te zien hoe de waardigheid van de medemens, zeker als hij ons na staat, vernietigd wordt. Zijn neergang ontneemt ons de illusie dat de bloei van ons leven vanzelfsprekend is.

Mede dankzij films en in mindere mate romans zijn we ervan overtuigd dat je moet sterven met je familie en geliefden om je heen. Geen moment komt het in ons op dat sterven iets beschamends is en dat de stervende in die momenten die bij uitstek privé zijn misschien wel niet begluurd wenst te worden, ook niet door zijn eigen familie, juist niet door zijn eigen familie.

Misschien is hij bevreesd dat zijn familieleden, zijn geliefden, hem zullen herinneren als een hoopje ellende, rochelend en hoestend, amper in staat drie woorden te spreken, terwijl hij herinnerd wenst te worden als de man die op een winteravond in de jaren tachtig een Pool in de Kerkstraat neersloeg.

Het is ook mogelijk dat de lieve woordjes die de overlevenden mompelen die zich om het sterfbed hebben verzameld, hun tederheid, hun goede bedoelingen, hun stemmen, voor de stervende allerminst troostrijk zijn. Wat zijn familieleden voor mededogen en liefde aanzien, is voor hem wellicht slordig vermomde spot. En wat hem nog in leven houdt, wat hem de kracht geeft voor die laatste, feitelijk zinloze doodsstrijd is geen liefde voor het leven – hoe kan men op dat soort momenten liefde voor het leven voelen? – maar een diepe, allesoverheersende rancune dat zij die om het sterfbed staan mogen leven en hij niet, en dat zij hem ook nog eens komen begluren op momenten dat niemand begluurd wenst te worden.

De boer neemt afscheid van zijn familie en zijn gemeenschap op het moment dat hij nog waardigheid bezit, voor zover de mens überhaupt veel waardigheid bezit. Hij wacht niet tot hij niet meer kan, hij gaat zelf, op eigen kracht, op een zelfgekozen tijdstip, kort nadat hij zijn einde heeft voelen naderen. Zijn dood is van hem, en niet van zijn familieleden, vrienden en kinderen.

Zoals onze linkerteen van ons is, zo is ook onze dood van ons en van niemand anders. De gedachte dat alles openbaar moet zijn is een ontkenning van de schaamte.

De oorsprong van het leven, de copulatie, kunnen wij dankzij de porno-industrie in close-up op elk gewenst moment van de dag bekijken. Sterven is echter intiemer en vooral beschamender dan seks.

Iedereen die in een arm land of een oorlogsgebied een lijk langs de kant van de weg heeft zien liggen beseft hoe beschamend de dood is, en ook het sterven dat daaraan vooraf is gegaan.

Niet alleen het sterven, het leven zelf is dikwijls een beschamende aangelegenheid en misschien is schaamte wel de kern van wat wij ‘menselijk’ noemen. Wij hebben de ander nodig om onszelf te definiëren, maar tegelijkertijd is het de ander die ons dwarsboomt, vernedert en soms vernietigt.

In zijn laatste levensuren verdraagt de boer geen mens. Hij is alleen met de boom. Ik wil mij graag voorstellen dat hij in de boom een kameraad herkent. Hij heeft alle liefde doorzien als vormen van machtsstrijd en oorlog; er bestaat geen liefde die ons niet tot slaaf of meester maakt. Iedereen die beweert klaar te zijn voor liefde zou dat moeten beseffen.

De mens is een soldaat die met gebrekkig materiaal de oorlog, oftewel het leven, in wordt gestuurd. Uiteindelijk verhoudt de mens zich tot zijn lichaam als de soldaat tot zijn geweer, zijn scherfvest en zijn gepantserd voertuig. Hij is langzaam met zijn materiaal vergroeid, hij herkent zijn geweer uit duizend andere geweren, en toch blijft hij leven in het besef dat men hem ondeugdelijk materiaal in handen heeft gestopt, dat de vijand beter is uitgerust.

Er moet wel een discrepantie zijn tussen het eigen lichaam en het ik, tussen het denken en het zijn. Een cosmetisch chirurg vertelde me eens dat een patiënt zijn hand zo ongeveer op tafel wierp en riep: ‘Hij doet het nog steeds niet.’

Alleen de gemartelde valt volledig samen met zijn lichaam.

Een merkwaardige gedachte overigens dat wij moeten blijven bestaan, dat wij recht hebben op het leven. De soldaat bestaat omdat hij geluk had, beter schoot dan de tegenstander, zich tijdig bukte, over het hoofd werd gezien, relaties had die hem een baantje in het washok bezorgden in plaats van in de loopgraven.

De mens kan zeggen: ik weiger om nog langer met ondeugdelijk materiaal deel te nemen aan de oorlog, mij rest geen andere vorm van protest dan de vernietiging van dat materiaal. Over deze vorm van protest heeft Jean Améry een boek geschreven getiteld Hand an sich legen, Diskurs über den Freitod (Nederlandse vertaling: De hand aan zichzelf slaan).

Al aan het begin van dat boek merkt Améry op dat de discussie over zelfmoord, die hij consequent ‘Freitod’ noemt, pas kan beginnen waar de psychologie ophoudt. Er is een logica van het leven, zegt hij, maar er is ook een andere logica, die van het niet-leven, van het niets.

Een belangrijk woord in dit boek is het Franse woord ‘l’échec’, dat volgens Améry de toestand beter samenvat, en ook beter klinkt, droog en knisperend, dan ‘mislukking’ (‘Scheitern’).

Volgens Améry is het echec de kern van een mensenleven. Overal dreigt het falen, van alle kanten zijn wij omringd door de mislukking. Zij verschijnt waar wij zakken voor examens, waar wij failliet gaan, waar wij vernietigend worden besproken door gezaghebbende critici, waar wij overvallen worden door ziekte, waar onze liefde onbeantwoord blijft.

Overal loert het echec op ons, zozeer dat wij nauwelijks onderscheid kunnen maken tussen het echec en onszelf. Op de vraag: ‘Wat is de mens?’ is maar één antwoord mogelijk: l’échec.

Aldus Améry.

Gerard Reve meende dat alle kunst over de dood gaat, maar als ik mij beperk tot de literatuur en dan vooral de romankunst denk ik dat alle romans draaien om de vraag hoe de mens zich verhoudt tot het echec dat hij is.

In de zelfmoord ziet Améry een echec dat aan een ander echec een einde maakt. Maar ook een vorm van protest, een poging waardigheid te behouden of terug te winnen, hoewel hij nadrukkelijk geen apologie van de zelfmoord heeft willen schrijven.

Améry heeft gelijk als hij zelfbehoud relativeert. Er is geen enkele reden aan te nemen dat het voortbestaan van onze soort wenselijker is dan het voortbestaan van een knuffeldier.

In sommige omstandigheden is zelfbehoud een vorm van protest, maar de eigen vernietiging kan ook een vorm van protest zijn, die niet minder waar is volgens de logica van het niet-leven.

Soms wordt gezegd: ik ben tegen de oorlog, maar ik steun de troepen. Zo kan men zijn eigen leven verachten en toch de zelfmoord afwijzen.

Het belangrijkste argument tegen deze zelfvernietiging is geen religieuze. De vernietiging van de ander is immoreel, maar ik behoor mijzelf toe. Hoe hoogmoedig deze gedachte ook mag zijn, door het ondeugdelijke materiaal dat mijn lichaam is te vernietigen zou ik anderen kunnen laten lijden en zo een schuld op mij laden die ik nooit meer kan inlossen.

Het leven kan vergeleken worden met een militaire missie. De militair weet niet waartoe de missie dient, hij kan niet uitsluiten dat de missie een misdaad zal blijken te zijn. Dat hij voor deze missie is uitgekozen is misschien een straf, toch voert hij de missie uit met een minimale, soms een maximale solidariteit met zijn kameraden. Daar is leven geen recht, enkel een gruwelijke plicht.

De boer slaat niet de hand aan zichzelf. Hij weigert te leren sterven, zoals hij misschien ook geweigerd heeft om te leren leven. Zijn kunst is de kunst van het verdwijnen.

Jean Améry, geboren als Hans Mayer in Wenen, werd door de nazi’s in Fort van Breendonk gemarteld, overleefde Auschwitz, en brak in 1978 een leestournee door Duitsland in Marburg af om twee dagen later, op 17 oktober, zelfmoord te plegen op een hotelkamer in Salzburg.

De laatste zin van zijn afscheidsbrief aan zijn vrouw is het verzoek om de knuffelbeesten, die hij samen met haar verzamelde, niet weg te gooien. (‘Bitte schmeiß die “Fetzenkinder” nicht weg...”)

Op zijn grafsteen in Wenen staan alleen zijn heteroniem, Jean Améry, zijn geboorte- en sterfdatum en zijn Auschwitznummer: 172364.