Een jaar van natuurrampen met uiteenlopende media-aandacht

Een oud, nogal cynisch gezegde onder journalisten luidt: een ramp voor het land, een zegen voor de krant. Aan rampen geen gebrek het afgelopen jaar. Vooral de aardbeving in Haïti van 12 januari richtte dood en verderf aan. Volgens officiële cijfers – schattingen – kwamen meer dan 220.000 mensen om het leven. Het leed van de toch al zo geplaagde Haïtianen werd breed uitgemeten in de wereldmedia. Later in het jaar kwam het land nogmaals in het nieuws, toen het werd getroffen door een cholera-epidemie. De ziekte, die het land voorzover bekend nooit eerder trof, is waarschijnlijk binnengebracht door Nepalese vredesmilitairen van de VN.

Veel minder aandacht was er in de internationale media voor de bosbranden in Rusland van afgelopen zomer. Het aantal directe slachtoffers daarvan was weliswaar niet zo hoog maar het ministerie van Volksgezondheid meldde naderhand dat de branden en de hevig vervuilde lucht die er het gevolg van was aan 56.000 mensen het leven hadden gekost. Veel mensen met luchtwegaandoeningen stierven daardoor eerder.

Zeer veel aandacht was er in de media ook voor een ramp, die nauwelijks slachtoffers eiste, de uitbarsting van de IJslandse vulkaan de Eyjafjallajökull dit voorjaar. Natuurlijk veroorzaakte die veel ongerief voor luchtreizigers in West-Europa maar het leed van enkele dagen op een vliegveld stond toch in geen verhouding tot het verlies van hun hele hebben en houden dat veel arme Pakistanen trof bij de massale overstromingen van afgelopen zomer. Honderdduizenden belandden in vluchtelingenkampen, terwijl 1.980 mensen het niet konden navertellen.

China werd opnieuw getroffen door een aardbeving, met 2.700 doden, maar die trok ditmaal betrekkelijk weinig aandacht. Velen herinnerden zich nog een veel ergere beving van 2008, toen 70.000 doden vielen.