Drijvende kelders

Gemetselde drijvende bakken onder huizen boden vanaf de zeventiende eeuw bescherming tegen wateroverlast. Frits Baarda

Op het eerste gezicht lijkt het een gewone kelder, zoals er honderden zijn onder oude Nederlandse huizen. Maar nadere beschouwing leert dat de krappe ruimte onder de Prinsenstraat 61 in Dordrecht een met klinkers gemetselde bak is, die vrij staat van vier wanden. Hij kan in principe op en neer bewegen met het stijgen en dalen van het grondwater. Het is een zeldzame drijvende kelder, intact maar niet langer functionerend, met een boeiende geschiedenis die raakvlakken heeft met handel, hydraulica, metseltechniek en de eeuwige strijd tegen water.

Dordtenaar Jan Mostert kreeg twee jaar geleden het vermoeden dat hij wel eens boven een drijvende kelder kon wonen. Hij schakelde Monumentenzorg Dordrecht in en vervolgens de Amsterdamse bouwhistoricus en ‘kelderspecialist’ De Roon. Die stelde onlangs vast dat het inderdaad om een drijvende kelder gaat.

“Heel bijzonder”, noemt De Roon de vondst. “We hadden een vage verwachting dat er in Dordrecht nog drijvende kelders moesten zijn. Een deel van de binnenstad ligt immers in buitendijks gebied. Dit is de bevestiging.” De ontdekking in een Dordts patriciërshuis is zeker niet uniek in Nederland. In Amsterdam zijn onder 51 panden, voornamelijk in de zeventiende-eeuwse grachtengordel, eveneens drijvende kelders aangetroffen. Ook Breukelen, Edam, Leiden en Nieuwkoop kennen dergelijke objecten. Maar volgens De Roon is de Dordtse ‘drijfkelder’ wel een vrij gaaf exemplaar in een natuurlijke ‘biotoop’, een waterrijke, laaggelegen omgeving in open verbinding met rivieren en zee. “Bouwkundig bijzonder interessant”, meent de bouwhistoricus. “De kelder oogt eenvoudig, maar is een staaltje bouwtechnisch vernuft. Dat mensen in een vroege periode zoiets konden bedenken: een gemetselde bak die blijft drijven. En dat onder een huis.”

Het verschijnsel is betrekkelijk onbekend in de Nederlandse geschiedenis. De eerste beschrijving dateert van 1674. Philip Vingboons tekende op een gravure een drijvende kelder achter de Amsterdamse Herengracht 386. Onderzoeker De Roon heeft aanwijzingen dat de eerste kelders eerder die eeuw al zijn gebouwd. Welke van de gevonden kelders de oudste is, valt volgens hem moeilijk te zeggen. “Daarvoor zouden we het hout voor het raamwerk onder de bak aan jaarringenonderzoek moeten onderwerpen.”

De groei van Amsterdam noopte huizenbouwers tot inventiviteit. Kooplieden woekerden in hun panden met beperkte ruimte. Iedere vierkante meter van hun percelen benutten ze voor bewoning en opslag. Toen de bestaande capaciteit niet langer toereikend was, lieten ze eerst in de hoogte bouwen. Daarna zochten ze het in de drassige grond: er kwamen souterrains en kelders, waarvan vele met een drijvende gemetselde bak om het opstuwende grondwater te kunnen pareren. Wie over een vaste kelder beschikte, kon verwachtten dat de bodem eerdaags door de druk zou openbarsten, wat in de praktijk vaak gebeurde.

DREFKELDER

Huizen met een drijvende kelder hadden veelal een gedeelde functie. De grote panden werden behalve voor opslag van goederen ook voor bewoning gebruikt. De functie van de Dordtse kelder is onbekend. Volgens eigenaar Jan Mostert, zelf restauratietimmerman, passeerden er in zijn authentieke woning voornamelijk ‘heren van stand’, waaronder handelaren en een predikant. De Dordtse reder en houthandelaar Frank van der Schoor (1730-1804) kan opdracht hebben gegeven tot de aanleg van de ‘drefkelder’, zoals in Dordts dialect aangeduid. “Maar de kelder is met een oppervlakte van ruim drie tot vier meter te klein voor opslag van grote goederen”, vertelt hij zittend in de ijskoude, 1,60 meter hoge ruimte. In de drijvende bak ligt vijf kuub zand, vermoedelijk gestort om het gevaarte van 16.000 kilo tijdelijk vast te zetten. In de nauwe ruimte tussen bak en wanden staat water, zo heeft Mostert met een endoscoop kunnen vaststellen – niet het medische instrument, maar een kijker die bij onderzoek aan oude huizen wordt ingezet om bijvoorbeeld te zien wat zich achter verlaagde plafonds bevindt.

De kelder vertoont alle kenmerken van het bouwkundig fenomeen. Op de vloer liggen oude plavuizen. De wanden zijn gemetseld met hard gebakken, niet doorlatende en groen verglaasde klinkers. Gewone baksteen zou te poreus zijn en water opnemen. Tegen de klinkerwand zijn klamplagen gezet, een laag met de platte kant naar voren gerichte klinkers. Op één wand is nog een laag plavuizen aangebracht. Speciale mortel houdt de klinkers in een ingenieus opgebouwd verband bij elkaar. De metselmortel bestaat uit tras: kalk, zand en tufsteen. Gemalen tufsteen maakt de mortel waterdicht. Onder de kelderbak moet als basis een kruislings gebouwd houten rooster liggen, met daarop een planken vloer en vijf tot acht lagen klinkers. Volgens bouwhistoricus Dik de Roon was de aanleg van een drijvende kelder geen sinecure. Eerst moest een bouwput tot ruim onder het grondwaterpeil worden gegraven. De verdere bouw ging gepaard met veel pompen, met de hand. Maar het echte geheim van de smid zit volgens hem in de samenstelling van de mortel en de klinkers. “Die zorgen voor de veiligheid, ze zijn keihard en waterdicht.”

LEVENSWERK

De kelders dreven op het grondwater, dat fluctueerde onder invloed van eb en vloed. Na de aanleg van de Oranjesluizen bij Amsterdam, in 1871, werd de Zuiderzee afgesloten van de open verbinding met de Noordzee. Het waterpeil in de stad stabiliseerde. De drijvende kelders raakten in onbruik, werden afgebroken of vastgezet, en zonken weg in de geschiedenis. Van de tientallen die er moeten zijn geweest, functioneert alleen nog een exemplaar aan de Diemerzeedijk, gelegen buiten het bereik van de Oranjesluizen. Dat de drijvende kelder in Dordrecht niet meer werkt, maakt Jan Mostert nog gedrevener. Mostert: “Het is nu mijn levenswerk. Ik zal technisch alles in staat stellen om hem weer te laten functioneren.”

Het Bureau Monumentenzorg en Archeologie van de gemeente Dordrecht verwacht nog meer oude kelders aan te treffen. Bouwhistorisch medewerker Christine Weijs schat dat zich in de buitendijkse stadsdelen ongeveer twintig drijvende kelders kunnen bevinden. “Mijn hoop is gevestigd op huizenbezitters die een kijkje in eigen kelder zullen nemen.”