Dit is absurd, sprak Freud

De mooiste laatste woorden zijn de woorden waarmee de stervende onsterfelijk wordt.

Vaak blijken het woorden die zijn levensloop of karakter perfect samenvatten.

Het sterven van Anton Tsjechov is gedetailleerd beschreven door zijn biograaf Henri Troyat. In de lente van 1904 had tuberculose Tsjechov steeds meer de adem benomen, ook zijn hart haperde. Nadat hij in Berlijn grondig was onderzocht door een specialist, stak die zonder een woord te spreken de armen wanhopig in de lucht: Tsjechov, zelf arts, begreep dat zijn dagen waren geteld. Toch reisde hij met zijn vrouw Olga Knipper nog per trein naar Badenweiler in het Zwarte Woud. In het kuuroord verergerde Tsjechovs toestand, Olga week geen moment van zijn ziekbed. In de vroege morgen van 2 juli had de koorts hem in een delirium gestort. Toen Olga haar man een zak ijs op de borst wilde leggen, werd hij wakker en zei droevig: „Leg geen ijs op een leeg hart.” Tegen de arts die hem even later bezocht, sprak hij ernstig: „Ich sterbe.” De dokter wilde een zuurstoffles laten brengen, maar Tsjechov protesteerde: „Nu is alles nutteloos. Nog vóór men die kan brengen, zal ik een lijk zijn.” Daarop liet de arts een fles champagne komen. Tsjechov dronk van het glas dat hem werd aangereikt en zei met een glimlach: „Het is lang geleden dat ik champagne gedronken heb.” Zijn laatste woorden.

In de biografie Annie beschrijft Annejet van der Zijl het waardige einde van Annie M.G. Schmidt. Op 20 mei 1995, haar 84ste verjaardag, ontving de schrijfster zoals elke zaterdagmiddag haar ‘leesclub’. Een van de leden had haar een steenrood ribfluwelen overhemd met twee grote borstzakken cadeau gedaan. Handig voor haar sigaretten en aansteker, had de geefster bedacht. Annie trok het over haar hoofd en zei, tot grote hilariteit van de aanwezigen: „Dit wil ik aan als ik dood ben.’’ Toen Dieuwertje, haar trouwe vriendin en verzorgster, aan het eind van de middag vertrok, zei Annie: „Kom morgen maar een half uurtje later, […] ik ben vast moe.” Haar zoon Flip bezocht haar ’s avonds nog. Hij trof zijn moeder soezerig van de witte wijn aan, tevreden luisterend naar muziek. In de vroege ochtend van 21 mei maakte Annie M.G. Schmidt een einde aan haar leven. Met het toneelstuk van Lars Norén binnen handbereik dat de schrijfster de vorige middag had gelezen: Zo eenvoudig is de liefde. Daarin staat de passage: „Hemingway heeft ooit gezegd: ieder verhaal eindigt treurig als je maar lang genoeg doorvertelt. Ik zeg altijd: ieder verhaal eindigt gelukkig als je maar vroeg genoeg ophoudt.”

Het allerlaatste wat Multatuli schreef was ‘Lf8-c5’. De schrijver was verwikkeld in een schriftelijke schaakpartij die hem niet losliet. Hij was al geruime tijd ernstig ziek. Zijn vrouw Mimi schreef op 18 februari 1887: ‘Hij is nu doodaf van een lange astmabui die nog niet geheel voorby is. – het is afschuwelyk ellendig hem zo te zien lyden.’ De volgende dag berichtte vriend en bewonderaar N. Braunius Oeberius over de toestand van Eduard Douwes Dekker: „Ach God, die arme Dek is zoo verergerd sedert gisteren. God geve dat hem de doodstryd niet al te zwaar wordt gemaakt.” Ook Multatuli geloofde er niet meer in. „Dit is geen bui meer”, zei hij tegen Mimi. „Hieraan ga ik weg.” Toen Mimi hem aanspoorde moed te houden, zei hij: „Ja kind, moed heb ik wel, om te sterven.”

Wat vaak geldt voor de eerste woorden van een roman, geldt blijkbaar ook voor de laatste woorden in een mensenleven: ze omvatten in een paar woorden een levensloop of karakter. Tsjechov paarde zijn kennis van de medische wetenschap aan een milde ironie: hij zag zichzelf aan het eind als een personage in zijn eigen drama. Annie M.G. Schmidt was op die laatste verjaardag al in gedachten bezig met de zelfgekozen dood, waarvoor ze zorgvuldig het tijdstip had bepaald. Met haar grap over het overhemd met de grote zakken typeerde ze haar eigen oeuvre: geen onderwerp te zwaar om er de draak mee te steken. Of het toeval was dat het citaat van Norén – dat haar levensmotto had kunnen zijn – uitgerekend op de middag voor haar dood werd voorgelezen, zullen we nooit weten. Maar de bijna-laatste woorden van Multatuli „Het gaat hard achteruit”, sprak hij daarna nog een paar keer, kunnen geen toeval zijn. Ze vatten zijn leven in één woord samen: moed.

Als de laatste woorden van iemand, op de vraag of hij zin heeft in gebakken aardappelen, zijn: „Ja, maar niet te veel”, is dat op zichzelf niets bijzonders. Maar als het de laatste woorden zijn van de dichter Gerrit Achterberg (1905-1962), zoals wordt beweerd, is het dat wel: ‘niet te veel’ zou zo’n beetje het devies van elke dichter kunnen zijn. De mooiste laatste woorden zijn die, waarmee de stervende zichzelf onsterfelijk maakt. Helaas zijn juist die uitspraken vaak apocrief. Zo zou Freud (1856-1939) tot twee keer toe op zijn sterfbed hebben gezegd „Dit is absurd” en Beethoven (1770-1827): „Applaudisseert, mijn vrienden, de voorstelling is voorbij”, de slotzin van een stuk in de Commedia dell’arte. Kort daarna, wil het verhaal, werd door zijn muziekuitgever een kist wijn bezorgd. Beethoven was – anders dan Tsjechov – niet meer in staat te drinken en zei: „Jammer, jammer, te laat!”

Het is beter je wijze woorden niet tot het laatst te bewaren, dat zag de staatsman en filosoof Marcus Tullius Cicero (103-34 v.Cr.) al in. „Hoe denken jullie over het feit dat juist de meest wijze mensen sterven met volledige kalmte van geest, de grootste dwazen daarentegen zeer onrustig en verbitterd?” Karl Marx (1818-1883) zag dat blijkbaar ook zo en had niet de geringste behoefte aan laatste woorden. Zijn finale tekst, door zijn huishoudster opgetekend, lijkt mij – ook door het cerebrale karakter ervan – redelijk betrouwbaar. Op de vraag wat zijn laatste woorden waren, antwoordde hij: „Maak dat je wegkomt, laatste woorden zijn voor idioten die nog niet genoeg gezegd hebben!”