De mythe van de markt als mens

De staat tegenover de markt. Zo kan de Europese crisis van 2010 worden omschreven, en het gevecht is nog lang niet ten einde. Terwijl de werkelijke, reële, economie het vooral in het noorden van de eurozone al weer aardig deed, speelde zich in de financiële wereld een titanenstrijd af. Het gevecht om de euro tussen de soevereine staten en de financiële markten is al vergeleken met de Europese valutacrisis van 1992 en 1993. Maar 2010 was veel heviger en vooral omvangrijker. Nog nooit is in de Europese Unie met zulke bedragen gesmeten. Inclusief de redding van Griekenland is 880 miljard euro vrijgemaakt om de wonden van de euro te stelpen. En wellicht is dat nog niet genoeg.

De ironie is tastbaar: in 2008 werden ook al enorme bedragen vrijgemaakt om de wankelende financiële sector op de been te houden, en het jaar daarop liet een voortzetting en zelfs uitbouw van die steun zien. Maar banken en hedgefondsen waren nog nauwelijks van het infuus of ze beten de hand die hen voedde. Is dat ondankbaarheid, perfiditeit of getuigt het van een kwade inborst?

Aan de financiële markt worden vaak een identiteit en beweegredenen toegedicht die zij niet heeft – zelfs niet kan hebben. Zoals het bekende citaat van Bill Clintons adviseur James Carville 16 jaar geleden al weergaf: „Als reïncarnatie bestaat […] dan zou ik terug willen keren als de obligatiemarkt. Dan kan je iederéén intimideren.”

Carville deed wat veel waarnemers doen, of zij nu aan de kant van de markt of van de staat opereren. Van de financiële markt wordt een actor gemaakt met persoonlijke eigenschappen. Dat past in de menselijke aanvechting om van alles een verhaal te maken, met herkenbare spelers. Kijk maar eens naar de doorsnee natuurfilm. (‘Simba is alert op de nieuwe leeuwin. Zal haar jonge rivale Leonards liefde voor zich winnen?’)

Zo is de markt kennelijk ook humeurig, goedgemutst of uit op bloed. Maar de markt is geen antropomorf wezen. Het is een speelveld. Hoe groter je dat maakt, hoe meer bewegingsruimte de mensen die er opereren krijgen, en nemen. Hun gezamenlijke geaggregeerde gedrag bepaalt wat er van waarde is, en wat weerloos.

Daar zit óók het nodige menselijke aan, en in dit geval terecht. Want de spelers op de financiële markt zijn van vlees en bloed, en hebben eveneens een voortdurende behoefte aan verhalen. De markt is één groot onafgebroken discours, en die meningsvorming is misschien wel even belangrijk als de traditionele functie van verdelingsmechanisme die aan de markt wordt toegedicht.

Daar zit dan ook de uitdaging van de Europese staten. Het overheersende verhaal over de euro op de financiële markten was er in 2010 een van intrinsieke onmogelijkheid, verval en uiteindelijke fragmentatie. Daar stond geen samenhangend Europees verhaal tegenover. Geen vergezicht, onvoldoende blijk van saamhorigheid of vastberadenheid de munt uiteindelijk tot een succes te maken. Zelfs vanuit de tot dan toe gesloten rangen van de Europese Centrale Bank klonk verdeeldheid.

In 1997 werd afgesproken dat de nationale munten twee jaar later tegen hun vaste onderlinge wisselkoersen in de euro zouden opgaan. De valuta’s waren toen vogelvrij, maar geen ziel op de markten die eraan dacht ze alsnog uit elkaar te spelen. De mythe van de ene munt was te sterk. Dat is een les die het afgelopen jaar vergeten werd. De euro heeft in 2011 een verhaal nodig. En het kan maar beter goed zijn.

Maarten Schinkel