De hele stad wil ergens anders zijn

De stad is warm, de buitentemperatuur schommelt tussen twintig en vijfentwintig graden. Het is herfst, maar herfst in Istanbul is als een Hollandse zomer. De Bosporus ziet zo blauw als de hemel, het is 1 oktober. Firrat aan de deur. Hij is de kapici, de portier die in vrijwel ieder flatgebouw in deze stad huist. De kapici draagt zorgt voor dat gebouw alsof het zijn kind is. Hij schrobt het trappenhuis, laat de honden van de bovenburen uit, doet de boodschappen voor de eigenaresse. Aan de kapici dankt ieder gebouw zijn bestaan.

Zonder verdere uitleg marcheert Firrat op de verwarmingsbuizen af die over de hele lengte van de binnenmuren van mijn appartement lopen. Als een wilde begint hij aan de knoppen te draaien. „Wat is er loos, Firrat?” Hij kijkt me aan zoals hij mij, de enige buitenlander in zijn flat, zo vaak aankijkt. De domheid. De winter is in aantocht. Weet de buitenlander dat dan niet? Ik wrijf over mijn blote armen. Zijn idee van winter is duidelijk anders dan dat van mij. De winter is iets wat gevreesd moest worden, de winter komt van boven, van krachten veel groter dan wij stervelingen. Firrat weet dat. Ik ben gewaarschuwd.

Binnen een uur na zijn binnenkomst is mijn appartement zo heet als een oven. Voor het terugdraaien van al die knoppen is het volgens Firrat dan te laat. De verwarming in dit gebouw kent geen supersonische ketels dus als ik aan de knoppen ga zitten, zullen de zes verdiepingen boven mij dat ook voelen. In de winter buig je het hoofd voor het collectief, voor de huisvrede. Zo is het nu eenmaal. Dus betaal ik de gezamenlijke gasrekening van honderden lira’s per maand en staan maandenlang de balkondeuren wagenwijd open om de verwarmingshitte te verjagen.

De echte winter arriveert op 4 december. Die dag vergeet hier niemand. De Bosporus krijgt kopjes op de golven. De veerponten hoesten zich naar de overkant, als ze nog varen. Turkse moeders waarschuwen hun dochters: trek sokken aan, koude voeten leiden tot onvruchtbaarheid, denk aan je sjaal, denk aan je muts, vrees de kou. In de penetrante geur van kolenkachels maakt een diepe depressie zich meester van de stad. Ik wil een afspraak maken met een oude Turk voor een interview maar een collega schudt woest met zijn hoofd. „Het is de eerste dag van de winter. Heus, het is beter als je hem nu even met rust laat.” Opnieuw die blik. Domme buitenlander.

Ik begin die blik inmiddels te begrijpen. Op het moment dat hier de winterjas aan moet, daagt ineens het besef dat Istanbul niet langer de stad is die je was beloofd. Istanbul ligt ter hoogte van Napels, zuidelijker dan Barcelona. Een mediterrane stad, in je dromen. Maar in de winter vangt Istanbul de koude wind van de Zwarte Zee en voelt Moskou ineens heel dichtbij.

In mijn eerste winter in Istanbul kreeg ik voor het eerst in jaren weer wintertenen. En sneeuw. Als de sneeuw eenmaal valt, lijkt een hele stad plots ergens anders te willen zijn. Overal, maar niet hier, op die gladde heuvels, waarmee het verkeer in tijden van goed weer al geen raad weet. Elk jaar valt er hier sneeuw. Maar elk jaar reageert de stad alsof het de eerste keer is, schreef Orhan Pamuk al. In de winter zijn Turken net Nederlanders.

Bram Vermeulen