De fietser die plots voor een tram schoot

Hoeveel rekening moeten trambestuurders houden met ondoordachte manoeuvres van fietsers?

De grens ligt bij ‘onwaarschijnlijke fouten’.

De Zaak. Een fietser rijdt op een drukke weg een rijdende tram tegemoet en besluit onverwacht af te slaan, voor de tram langs, die voorrang heeft. Er volgt een aanrijding waarbij de fietser ernstig gewond raakt. Het slachtoffer is gedeeltelijk blijvend gehandicapt. Wie heeft schuld en wie moet betalen?

De toedracht van het ongeval. Het was ochtendspits en het was druk. Op de plaats van het ongeval, hebben fietsers, auto’s en trams allemaal een eigen weggedeelte. Er is op korte afstand van elkaar een aantal kruisende zijwegen, waardoor de verkeerssituatie makkelijk onoverzichtelijk kan zijn.

Vaststaat dat de fietser geen richting aangaf. De tram had waarschijnlijk een vaart van 24 à 25 kilometer per uur. De trambestuurder erkent de fietser te hebben gezien, zag dat deze in de richting van een zijweg keek en waarschuwde de fietser met een belsignaal. De fietser reageerde niet. En de tram minderde geen vaart.

Wat zegt de trammaatschappij? De trambestuurder valt niets te verwijten. Dit was overmacht. Dat betekent dat er „abnormale en onvoorziene omstandigheden” waren, waar de bestuurder niks aan kon doen. De gevolgen kon hij onmogelijk vermijden.

Wat zegt de fietser? Alle schade moet worden betaald door de trammaatschappij. De fietser draagt aan het ongeval geen eigen schuld. Dit is overigens een beroepsprocedure: de rechtbank had eerder aangenomen dat de fout van de bestuurder voor 30 procent bijdroeg aan de schade. Het aandeel van de fietser was 70 procent.

Aan welke norm moet een trambestuurder voldoen? Het hof neemt een „zware zorgvuldigheidsplicht” aan. Er is pas sprake van overmacht „als aan de bestuurder geen enkel verwijt voor het ongeval kan worden gemaakt”. Fouten van de fietser helpen de bestuurder alleen als die „zo onwaarschijnlijk waren dat hij daarmee naar redelijkheid geen rekening hoefde te houden”.

Wat vindt de rechter waarschijnlijk fietsersgedrag? De rechter noemt het een ervaringsfeit dat fietsers zich onverwacht, ondoordacht, onjuist en soms gevaarlijk kunnen gedragen. Afslaan voor een tram langs is niet zo onwaarschijnlijk dat de trambestuurder daar in redelijkheid geen rekening mee behoefde te houden. Het was voor de tram ook niet onuitvoerbaar om daar wat langzamer te rijden. Had de tram daar 19 à 22 kilometer per uur gereden, dan had er tijdig gestopt kunnen worden. Dat was nodig „temeer” daar de fietser niet op het bellen reageerde. De bestuurder reed dus te hard en schond zijn zware zorgvuldigheidsplicht.

Hoe zit het dan met de verdeling van de schade? Het hof vindt dat beide partijen in gelijke mate voor het ongeval hebben gezorgd. De fietser gaf geen voorrang en stak z’n hand niet uit. De trambestuurder maakte een „veilige afwikkeling” van zijn rit te zeer „afhankelijk van het uitblijven van verkeersfouten van andere weggebruikers”, door iets te hard te rijden. Beide partijen moeten daarom de schade van 12.000 euro in gelijke mate dragen.

Folkert Jensma

Reageren kan via nrc.nl/rechtenbestuur