Bijna echt is het engst

Een bijna echt mens die op de computer is nagemaakt, ziet er eng uit. Dat komt vooral door de ogen. Filmmakers laten in de bioscoop daarom liever computermonsters en buitenaardse wezens meespelen dan computermensen.

Gekke smoelen, je kunt ze overal zien. Knijp je ogen tot spleetjes en kijk naar een hoop sneeuw, een steen of bobbeltjes op de muur. Goede kans dat je er een gezicht in herkent. Maak een gekke krabbel op papier. Dat is de mond. Nu is het vast niet moeilijk om er een neus en ogen bij te maken.

Gezichten in elkaar zetten, in je hoofd, is voor je hersenen niet moeilijk. Maar soms is het ook griezelig. Een steen die op een gezichtje lijkt is schattig, maar een levensecht stenen gezicht vinden veel mensen eng.

Dat is lastig als je op de computer nagemaakte mensen wilt laten meespelen in een film. Zo’n computergezicht is op zijn engst als het bijna echt is, maar net niet helemaal. Films met dat soort computeracteurs draaien vaak uit op flops.

Het is veiliger om met de computer een sprookjesfiguur te maken – zoals de huiself Dobby in Harry Potter. Of een buitenaards wezen – denk aan de blauwe slungels met gele ogen in de sciencefictionfilm Avatar. Dan weet je als kijker tenminste zeker dat je voor de gek wordt gehouden.

“Als een gezicht er menselijk uitziet, maar niet levend, dan raken we in de war”, legt psycholoog Thalia Wheatley uit. “We gaan naar zo’n plaatje zitten turen om te zien wat er zo gek aan is. Is de huid te glad? Of ligt er een rare blik in de ogen? Veel filmmakers vinden mensen namaken op de computer te moeilijk. Ze laten in de film liever computermonsters of -aliens meespelen. Of zelfs levende dingen. Denk maar aan films als Cars, Monsters Inc en Toy Story. Als er al mensen in voorkomen dan zien ze eruit als tekenfilmfiguren.”

Thalia Wheatley heeft onderzocht hoe het komt dat nagemaakte mensengezichten soms echt lijken en soms niet. Ze maakte foto’s van standbeelden, etalagepoppen en echte mensen. In een filmpje liet ze zo’n nepkop langzaam veranderen in een echte. Kijk maar naar de man met de baard. Studenten mochten de filmpjes bekijken en ze moesten zeggen of de personen op het filmpje voor hen gingen leven. Dat lukte pas als de nepgezichten voor meer dan driekwart in echte gezichten veranderd waren. Voor een echt levend gezicht waren goed lijkende ogen het belangrijkst.

Michiel van Nieuwstadt