2010: voor romans te roerig?

Geen romanschrijver won dit jaar een grote prijs.

We behandelen liever de werkelijkheid als fictie.

Nederland, Amsterdam, 06-11-10 Begrafenis van Harry Mulisch. © Foto Merlin Daleman
Nederland, Amsterdam, 06-11-10 Begrafenis van Harry Mulisch. © Foto Merlin Daleman

2010 was het jaar waarin Nederland zich nog wat verder naar binnen keerde. We kozen een rechtse meerderheid in de Tweede Kamer, sneden in kunstsubsidies en ontwikkelingshulp en speelden het WK voetbal vanuit een gesloten, defensief systeem. En we wonnen niet. Wat lazen we daarbij? Weinig goede romans, helaas: pas in april werd ik voor het eerst echt geraakt, door De schilder en het meisje van Margriet de Moor. In de herfst kwam daar Grunbergs Huid en haar bij, een uitstekende Thomése (De weldoener) en het bizarre Mijn ontmoeting met God en andere avonturen van Wouter Godijn. Op een rij lijkt het wel wat, zoals de samenvatting van een saaie voetbalwedstrijd er ook heel aardig kan uitzien. De Nederlandse roman beleefde een schraal jaar.

Zijn we te zeer in onszelf gekeerd om ons te openen voor fictie, behalve als het gaat om de met overgave betreurde Harry Mulisch, die trouwens – zoals zijn dochter bij zijn begrafenis memoreerde – na 11 september 2001 niet meer heeft geschreven. Mulisch’ dood maakte Hella Haasse tot de Grote Eén van de naoorlogse literatuur en zorgde voor een kortlopende discussie over wie dan de nieuwe Grote Drie moesten zijn (Grunberg! Van der Heijden! Rosenboom! Een vrouw!); een keukentafeldebatje waarvan het verrassende vooral was dat het hier en daar ernstig genomen werd. Maar ach, er zijn waarschijnlijk ook nog mensen die denken dat Reve, Hermans en Mulisch behalve de beroemdste, ook de beste schrijvers van Nederland waren.

De band tussen Mulisch en de literaire actualiteit is een andere en schuilt in zijn oude uitspraak dat een mens geen romans schrijft in tijden van oorlog. Bij hem was de oorlog de Vietnamoorlog en was de niet-schrijvende schrijver Harry Mulisch zelf – zijn biograaf zal ongetwijfeld een doodgewoon writer’s block blootleggen. Maar als het zo is dat tijden te roerig kunnen zijn voor romans, is het niet gek dat 2010 het jaar van de non-fictie werd.

Want dat was het geval bij de vier grote Nederlandse literaire prijzen. Romans speelden geen rol: de Librisprijs ging naar een bundel columns (Kleine dagen van Bernard Dewulf), de Constantijn Huygensprijs naar de zeer korte verhalen van A.L. Snijders, de P.C. Hooftprijs naar H.J.A. Hofland en de AKO- prijs naar David Van Reybrouck voor Congo, die ook nog de Greshoffprijs en de Grote Geschiedenis Prijs in de wacht sleepte.

Niet alleen jury’s en critici wendden zich tot het waargebeurde, ook de echte lezers. In de bestsellerlijst van de kerstweek ontbreken Nederlandse romans in de top 10. Op 8 en 9 staan twee thrillers, de enige twee serieuze, oorspronkelijk Nederlandse boeken zijn Wij zijn ons brein van Dick Swaab en, daar is dat boek weer, Congo van David Van Reybrouck. En als we er toch een wedstrijd van maken: zelfs bij de grote literaire doden was het ook een non-fictiejaar, met het overlijden van Jan Blokker én Rudy Kousbroek.

Natuurlijk is de opkomst van de non-fictie niet nieuw. Al sinds Geert Maks De eeuw van mijn vader vinden goed geschreven non-fictieboeken een breed publiek. Een publiek dat die boeken (van Annejet van der Zijl tot Frank Westerman) niet alleen in het hart sluit om de informatiewaarde ervan, maar vooral omdat ze ook datgene bieden waar de literatuur lang het monopolie op had: esthetische genoegens, ontroering en troost. Zoals de televisiekijker de klassieke soap heeft ingeruild voor de realitysoap.

Het literaire in de non-fictie van de ‘de familie Mak’ verwijst naar het doel waarmee die boeken worden gelezen: niet alleen om de kennis die erin vervat zit, maar ook om het gevoel dat ze opwekken. Het maakt ze niet literair in de esthetische betekenis van het woord. Kunst is het niet. Daarvoor drijft het gros van de non-fictie te veel op nostalgie en de bevestiging van een wereldbeeld dat er al was.

Vandaar ook dat de nieuwe non-fictieschrijvers bij literaire prijzen meestal buiten de boot vielen. De driejaarlijkse bekroning van een essayist met de P.C. Hooftprijs was meestal reden om iemand te bekronen die óver literatuur schreef (Dresden, Bastet) of een schrijver die ook essays schreef (Schippers, Komrij). Ontegenzeggelijk literaire auteurs als Blokker en Hofland (neem diens legendarische reportage over de Amsterdamse tramlijn 3) werden jarenlang gepasseerd. Tot in 2010. Nog veel groter is de breuk dit jaar bij de jaarlijkse literaire prijzen – of eigenlijk vooral de AKO-prijs, want de Librisprijs heeft zich inmiddels verschanst in een hoek waarin alleen romans nog mogen meetellen.

De toekenning van de AKO-prijs aan David Van Reybrouck is een trendbreuk. Want hoewel de AKO-prijs al eerder naar non-fictie ging – Maerlants wereld van Frits van Oostrom en Multatuli van Dik van der Meulen – waren die boeken in hun onderwerp in elk geval nog literair. Congo. Een geschiedenis is ‘gewoon’ een geschiedenisboek. Op basis van de synopsis is amper voorstelbaar dat dit boek een bestseller zou worden. Immers: bestsellers worden bij voorkeur geschreven door bekende auteurs, gaan over één persoon, met wie de lezer zich goed kan identificeren en spelen zich ergens in de buurt af.

Als dit het jaar was waarin we ons nog verder naar binnen keerden, hoe kan het dan dat we een boek lazen dat daar in alle opzichten mee in tegenspraak lijkt (behalve dat er onaangename islamieten in de Congoleze geschiedenis voorkomen)? Er zijn drie verklaringen: een zakelijke, een cynische en een derde. De zakelijke verklaring is dat het hier om verschillende mensen gaat. De 150.000 personen die zich voldoende voor Afrika interesseren om een geschiedenis van Congo te lezen, stemmen niet op Wilders, het CDA of de VVD. En wie op Wilders, het CDA of de VVD stemt, leest geen boeken over Congo. De cynische verklaring is dat de moderne mens goed naar binnen gekeerd kan leven, en tegelijkertijd een geschiedenis van Congo kan lezen die tussen de overhemden in de Bijenkorf is weggegrist. Alles is immers amusement, het een op wat hoger niveau dan het andere, maar wat ons interesseert is het verhaal, niet de realiteit. Wij zuigen ons vol met non-fictie, maar trekken ons er verder niets van aan. We behandelen de werkelijkheid als fictie.

Ik kies voor de derde verklaring. Tegenover echte literatuur zijn we weerloos. Critici en cultuurpessimisten (nee, dat zijn geen synoniemen) hebben de neiging om te denken dat grote literatuur zich niet verenigt met een groot publiek, maar schrijvers als Rosenboom, Van der Heijden en Grunberg (hé, zijn dat er drie?) worden al jaren door critici én lezers in de armen gesloten. En ook A. Alberts’ De vergaderzaal was een bestseller. Dat Van Reybrouck van een boek over een zo schreeuwend niet-bestsellend onderwerp 150.000 exemplaren kan verkopen, laat zien dat de kracht van literatuur ongebroken is.

Waarbij de landmark voor de literaire geschiedenis is dat de muur tussen de nieuwe non-fictieschrijvers en de literatuur nu niet alleen in verkoopaantallen, maar ook in literaire erkenning geslecht is. David Van Reybrouck zal minder lang op zijn oeuvreprijs hoeven wachten dan H.J.A. Hofland.