Vooruit, ook nog een Degas erbij

Eerst verzamelden ze borduursels, in de 20ste eeuw legden vrouwelijke collectioneurs de basis voor grote musea, leest MARIANNE VERMEIJDEN

Charlotte Gere en Marina Vaizey: Great Women Collectors. Philip Wilson Publishers, 200 blz. € 14,90. In de ramsj bij Nayler & Co., Den Haag; orders@naylerco.nl

Vergeet de verzamelzucht van Helene Kröller-Müller. Ze mag dan in een enkel jaar dertig Van Goghs hebben aangekocht, ze legt het volledig af tegen de Russische Catherina de Grote (1729-1796). De keizerin, nazaat van sterk verarmde Duitse adel, instrueerde haar ambassadeurs complete schilderijenverzamelingen als bulklading naar Sint Petersburg te verschepen. Ze kocht de bibliotheken van Voltaire en Diderot, liet tienduizenden cameeën na, want ze had nu eenmaal ‘cameeënkoorts’, zoals ze zei, en bestelde bij Wedgwood het 944-delige ‘Frog’-servies, dat beschilderd was met honderden Engelse, arcadische landschappen, vol parken en paleizen, kloosters en kastelen.

Alleen al in 1769 nam Catherina 600 schilderijen van Vlaamse, Hollandse en Duitse meesters in ontvangst, onder wie Rembrandt, Rubens, Poussin en Watteau, plus 1.079 oude tekeningen. Die konden worden toegevoegd aan de 4.000 bladen die ze een jaar eerder had verworven. Bij Catherina’s dood stond de balans op 3.926 schilderijen, en daar kon de Hermitage voorlopig mee vooruit.

Het spreekt vanzelf dat het openingsverhaal van het verramsjte Great Women Collectors, geschreven door de Britse kunstkenners Charlotte Gere en Marina Vaizey, aan deze vrijlustige ‘grande dame’ is gewijd. Daarna krijgen we in chronologische volgorde inzage in de collecties van zo’n dertig andere, vooral Britse en Amerikaanse (overleden) dames van stand. Van Madame de Pompadour en de Duchess of Portland, die wijselijk een ruim 2.000 jaar oude, gave amfora van donkerblauw glas aankocht (de Portland Vase), tot en met de aimabele zusters Cone, grossiers in Matisses, en de Britse golfspeelster Gabrielle Keiller.

Keiller (1908-1995) raakte, eenmaal voorbij de veertig, in de ban van het surrealisme, Dada en de Britse kunst van haar tijd. Die aankopen, later geschonken aan de National Gallery of Modern Art, Edinburgh, kon ze ook financieren dankzij haar derde echtgenoot, een tycoon in de marmeladeproductie. Keiller was een vrijgevochten vrouw, die zich stevig verdiepte in kunstgeschiedenis, jonge kunstenaars ondersteunde en als vrijwilliger rondleidingen gaf in de Londense Tate Gallery. Niemand maakte haar wat! Een geestige dame ook, artistiek geestverwante van Peggy Guggenheim, die haar teckel Maurice door Andy Warhol liet portretteren.

Schelpje

Eeuwen was het vrouwen niet gegeven om zich als autonome verzamelaar te profileren. Het bleef bij een borduurseltje hier en een schelpje daar. In kunsthandel en musea maakten heren de dienst uit. Dames werden niet geacht over kunst te kunnen meepraten. De koopgrage, 18de-eeuwse prinsessen en vorstinnen die in het eerste deel van het boek aan bod komen, besteedden weliswaar fortuinen aan de stoffering van hun paleizen, aan geschilderde miniaturen, aan rariteiten als mummies en struisvogeleieren en vooral aan botanische tekeningen, maar dat alles mocht eigenlijk geen naam hebben.

Natuurlijk waren er dames die vastberaden hun eigen gang gingen, zoals de Britse koningin Charlotte (1744-1819), een Duitse prinses die de haar volstrekt onbekende, en de later als ‘krankzinnig’ omschreven George III trouwde. Ze had een opgeruimd karakter, schonk hem vijftien kinderen – de koning hield er geen maîtresses op na – en kocht ter verfraaiing van Buckingham House en Windsor Castle zoveel meubelstukken, ivoren curiosa, juwelen, boeken, tapijten, portretten van Thomas Gainsborough, dat Christie’s 35 dagen nodig had om na haar dood al haar bezittingen te veilen – zonder vermelding van de herkomst, want koninklijke kunst verkocht je niet, tenzij het blijkbaar om het bezit van een vrouw ging.

Hoe graag je in dit boek ook leest over Napoleons huilebalk Josephine, die zich in haar weelderig gestoffeerde landgoed Malmaison troostte met exotische vogels, of over de vorstinnen met een passie voor Fabergé-hebbedingen, het verzamelen wordt écht interessant als het het hobbyisme overstijgt en er een bredere visie, een degelijk beleid en deskundigheid aan ten grondslag ligt.

Die laatste kwaliteiten bezat Isabella Stewart Gardner (1840-1924). Een well-to-do New Yorkse, ‘even briljant als haar diamanten’, schreef een tijdgenoot. Op lange reizen had ze al aardig wat kunstkennis opgedaan, maar toen ze echt aan het verzamelen sloeg was ze zo wijs blind te varen op de grote renaissanceconnaisseur Bernard Berenson. Hij stelde haar ‘ongeëvenaarde meesterwerken’ in het vooruitzicht en dat was niets te veel gezegd. Stewart Gardner verwierf schilderijen van Holbein, Bellini, Titiaan, Velasquez, Tiepolo, Rembrandt, Rubens en Vermeer.

Omdat ze op een eerdere Europese ‘grand tour’ ook al doeken van Delacroix, Corot en de School van Barbizon had aangeschaft, opperde haar man het idee om in Boston, waar het echtpaar woonde, een museum op te richten. Na diens dood nam Isabelle die taak op zich, niet zonder hier en daar nog schilderijen van Degas, Manet en Matisse te scoren.

De ‘millionaire Bohemienne’ Stewart Gardner wist haar mannelijke concurrenten voor te blijven. Henry Clay Frick en J. Pierpont Morgan waren wel rijker, maar Stewart Gardner kocht eerder en voor een scherpere prijs. Berenson hielp haar daarbij door steeds weer te waarschuwen dat het ‘nu of nooit’ was als er een topwerk op de kunstmarkt dreigde te verschijnen. Het verzamelen was Stewart Gardner zo menens dat ze sober ging leven om verdere aankopen en de bouw van haar museum, haar ‘palazzo’, te kunnen financieren. Het idee dat er vandaag de dag een egocentrische gek thuis zit te genieten van doeken als ‘Het concert’ van Vermeer en een uniek zeegezicht van Rembrandt, die samen met een tiental andere meesterwerken in 1990 uit dat ‘palazzo’ werden gestolen, zou haar verdriet doen.

‘Ladies’

Ook alle andere fortuinlijke vrouwen krijgen in dit boek een beknopte biografie die verweven is met het karakter van hun collecties. Bij de prinsessen en vorstinnen ligt de verzameldrift vaak in het verlengde van hun afkomst, opleiding en entourage. Over hun motivering komen we weinig te weten. Maar dat geldt niet meer voor de 20ste-eeuwse verzamelaarsters, onder wie de drie soevereine ‘Ladies’ – Abby Aldrich Rockefeller (1874-1948), Lillie Bliss (1864-1931) en Mary Quinn Sullivan (1877-1939) – aan wie we het in 1929 opgerichte Museum of Modern Art in New York te danken hebben. Ze hadden een opdracht die hun eigen prestige oversteeg. Ze wilden hun landgenoten overtuigen van het spirituele belang van beeldende kunst, hen als het ware leren hoezeer het zien en genieten van schilderijen en sculpturen je kon verrijken. Net als hun tijdgenoot Katherine Dreier (1877-1952) wilden ze Amerika ook confronteren met ‘progressive art’, met de ‘zeitgeist’, met Europese grootheden als Gauguin, Redon, Picasso, maar ook Duchamp, Kandinsky, Breton, Bauhaus-kunstenaars, Mondriaan, Klee.

Een andere ‘Lady’, de puissant rijke Gertrude Vanderbilt Whitney (1875-1942), nam het op haar beurt op voor Amerikaanse kunstenaars, vandaar dat Whitney Museum in New York. Je vraagt je af of de grootse sprong voorwaarts die de Amerikaanse beeldende kunst na de oorlog te zien gaf, zich ooit had kunnen voltrekken zónder deze visionaire, vastberaden, vrouwelijke voorhoede.

Inmiddels maken vrouwen zelf fortuin en doen ze hun eigen kunstinvesteringen. Helena Rubinstein (1871-1965) is daar het eerste, meest aansprekende nouveau-riche-voorbeeld van. Ze was de oudste van acht dochters van een Poolse koopman en ze lanceerde als jonge meid in Melbourne, op de vlucht voor een mogelijk gedwongen huwelijk, een zalfje dat zou uitmonden in een cosmeticaconcern van 30.000 werknemers en een eigen vermogen van honderd miljoen dollar. Rubinstein, een tirannieke workaholic, verzamelde aanvankelijk zelfportretten van zichzelf, later Afrikaanse etnografica – ‘in wagonladingen’ zoals ze zei – en uiteindelijk omringde ze zich in haar 26 kamers tellend appartement op Manhattan met de klassiek moderne, Europese schilderkunst – van Matisse tot Klee, van Picasso tot Brancusi.

Haar bezittingen waren bizarre rather than beautiful, zeiden vrienden toen de boel onder de hamer kwam. Misschien doelden ze op haar ‘grootste vreugde’, haar poppenhuis van 24 kamers, dat de ontwikkeling van de binnenhuisarchitectuur`visualiseerde. In haar liefde voor die gestoffeerde huiselijkheid leek ze toch nog op de prinsessen en vorstinnen die haar waren voorgegaan.