Vlo al 400 jaar poëtische postillon d'amour

Hij schreef het in 1610, maar nog altijd geldt John Donnes gedicht over een vlo als een sublieme erotische bespiegeling. Janet Luis staat stil bij het 400-jarig jubileum van ‘The Flea’.

A handout photograph released on January 27, 2006 shows a unique picture by an unknown artist of iconic 16th century English poet John Donne. Britain's National Portrait Gallery launched a public appeal for 1.6 million pounds ($2.85 million) on Friday to buy the oil on panel portrait. REUTERS/National Portrait Galley/Handout
A handout photograph released on January 27, 2006 shows a unique picture by an unknown artist of iconic 16th century English poet John Donne. Britain's National Portrait Gallery launched a public appeal for 1.6 million pounds ($2.85 million) on Friday to buy the oil on panel portrait. REUTERS/National Portrait Galley/Handout Reuters

Het was ergens in de jaren zestig. Half 12 ’s morgens. Nog een half uur voor de grote pauze. De meester kondigde een leuk spel aan. Hij zou van iedereen van ons proberen na te gaan waarom er ooit, in de Napoleontische tijd, voor precies deze achternaam was gekozen. Mulder. Baas. Speelman. Ten Have. Kort. Kunst. Bakker. Naber. De meeste namen spraken eigenlijk wel voor zich, al putte de meester zich uit in uitgebreide verklaringen. Langzaam naderde hij de achterste bank waar ik de bui al voelde hangen. Hij ging er eens even goed voor staan toen hij aan mijn naam was toegekomen. Het was, volgens hem, wel duidelijk dat iemand met zo’n achternaam vroeger helemaal onder de luizen moet hebben gezeten. Ik herinner mij vooral de smalende toon waarmee hij de lachers moeiteloos op zijn hand kreeg.

Ik ben regelmatig voor „luizenbos” uitgemaakt, maar toch heb ik in mijn hele jeugd geen hoofdluis of vlo van dichtbij gezien. Het afgrijzen en de schaamte erover waren zo groot, dat moeders en oma’s bij de geringste verdenking klaar stonden met geniepige kammetjes en heftige verdelgingsmiddelen. Tegenwoordig is de hoofdluis weer helemaal terug, in alle kringen, in alle openheid. Máxima kon een tijdje geleden trots verkondigen, toen haar Amalia naar de basisschool ging, dat zij luizenmoeder ging worden. Nu vermoed ik dat Máxima in haar hele luizenmoedercarrière geen enkele luis te zien zal krijgen, maar het is duidelijk dat de hoofdluis tot op het hoogste niveau uit de taboesfeer is gehaald.

In de 17de eeuw had men, net als nu, een royale blik op luis en vlo. Ze waren er gewoon en men had er maar mee te leven. Het verhaal gaat dat tijdens een bijeenkomst in een Engelse literaire salon een vlo landde op een van de half ontblote borsten van de gastvrouw. Alle gesprekken verstomden en de aanwezige dichters keken met een mengeling van bewondering en afgunst naar het brutale beest dat zich niets aantrok van burgerlijke conventies en eenvoudigweg neerstreek op de meest begerenswaardige plek in de salon. Een literair thema was hiermee geboren: de vlo als symbool voor erotische bespiegelingen.

Of John Donne (1572-1631) in die salon aanwezig was, vertelt het verhaal niet. Het zou kunnen. Feit is wel dat hij, ongeveer 400 jaar geleden, omstreeks 1610, het gedicht ‘The Flea’ schreef, waarin een vlo optreedt als postillon d’amour. Constantijn Huygens vertaalde het in 1633 als ‘De vloij’. Later waagden ook Jan Eijkelboom (zie kader) en Rob Schouten zich aan een vertaling van dit verknoopte, maar ook nogal geestige liefdesgedicht. Dubbelzinnigheid en maagdelijke onschuld, geilheid en heiligverklaring, lichamelijke en hemelse liefde gaan er onnavolgbaar hand in hand. Een man wil graag met zijn vriendin naar bed, maar zij weigert omdat haar eer en maagdelijkheid op het spel staan. Vervolgens wringt hij zich in alle mogelijke bochten om haar toch zover te krijgen. Daarbij schrikt hij niet terug voor een fraaie omkering: dat zij zwaar zou zondigen, zelfs heiligschennis zou plegen door hem af te wijzen.

Ook hier doet zich het eigenaardige geval voor dat iemand jaloers is op een vlo. De vlo doet namelijk wat de man in het gedicht zou willen doen: hij laat man en vrouw samensmelten. Hij zuigt eerst een druppel bloed op van hem en vervolgens van haar. Daarmee maakt hij, in de woorden van Donne, “one blood (-) of two”. In de 17de eeuw was de algemene gedachte dat bij geslachtsgemeenschap het bloed van de geliefden met elkaar gemengd raakte. De vlo van Donne brengt dus de zo gewenste intimiteit tot stand tussen man en vrouw, zonder dat er ingewikkelde taferelen aan voorafgaan. Mooi is om te zien hoe de vlo hier mythische proporties aanneemt. Van een eenvoudige bloedzuiger groeit hij uit tot een mensenpaar, tot huwelijksbed, tot kerk – en ten slotte tot Jezus aan het kruis genageld. Een fortuinlijk einde zit er voor de vlo dus niet in.

En steeds schemert door al dit literaire vernuft, door al dit gegoochel met aarde en hemel, door al dit vermakelijke geredeneer het kleine, ondanks alles toch ook aandoenlijke kriebelbeestje dat zich niets aantrekt van god of gebod of van rijk of arm. Het gaat gewoon zitten waar het toevallig landt en doet zich tegoed – tot jaloezie van de mensen die altijd maar weer wetten op hun weg vinden en praktische bezwaren.

Ach. Had ik dit gedicht maar gekend toen ik op de lagere school zat. Dan had ik meester er fijntjes op kunnen wijzen dat een vlo en een luis niet alleen maar schaamte, ongemak en hoon hoeven op te wekken. Dan had ik kunnen vertellen dat ze de Engelse predikant, deken en dichter John Donne eeuwen geleden al hadden verleid tot grote en spitsvondige poëzie. Ik bevond mij met mijn naam in goed gezelschap.

‘The Flea’ van John Donne

Marke but this flea, and marke in this,

How little that which thou deny’st me is;

Me it suck’d first, and now sucks thee,

And in this flea our two bloods mingled bee;

Confesse it, this cannot be said

A sinne, or shame, or losse of maidenhead,

Yet this enjoyes before it wooe,

And pamper’d swells with one blood made of two,

And this, alas, is more than wee would doe.

Oh stay, three lives in one flea spare,

When we almost, nay more than maryed are.

This flea is you and I, and this

Our marriage bed, and marriage temple is;

Though parents grudge, and you, w’are met,

And cloysterd in these living walls of Jet.

Though use make thee apt to kill me,

Let not to this, selfe murder added bee,

And sacrilege, three sinnes in killing three.

Cruell and sodaine, has thou since

Purpled thy naile, in blood of innocence?

In what could this flea guilty bee,

Except in that drop which it suckt from thee?

Yet thou triumph’st, and saist that thou

Find’st not thyself, nor mee the weaker now;

’Tis true, then learne how false, feares bee;

Just so much honor, when thou yeeld’st to mee,

Will wast, as this flea’s death tooke life from thee.

(Geschreven in 1610, gepubliceerd in 1633)

Vertaling ‘De vlo’

Let slechts op deze vlo en merk tevens

Hoe weinig ’t is wat gij mij niet wilt geven.

Hij zoog mij eerst en doet zich nu tegoed

Aan u; in hem mengt zich ons bloed.

Gij weet, dit wordt geen schande, zonde

Ofwel verlies van maagd’lijkheid gevonden.

Maar hij geniet eer dat hij heeft gevreeën

En zwelt verwend met één bloed van ons tweeën

En dat, helaas, is meer dan wat wij deden.

O, wacht, wilt in één vlo drie levens sparen

Waarin wij bijna, ja, méér dan gehuwden waren:

De vlo zijn gij en ik, en dit zijn

Ons huwlijksbed en onze huwlijksschrijn.

Al morren ouders, en ook gij, wij zijn geklit

En opgesloten in dit huis van levend git.

Al zijt ge ook geneigd mij koud te maken,

Gij zoudt, door daar een zelfmoord aan te haken,

Tot doodzonde in drievoud nog geraken.

Hebt gij uw nagels toen wreed, onverhoeds,

Purper geverfd met onschulds bloed?

Hoe kon die vlo nu schuldig zijn, anders dan

In de druppel die hij u ontnam?

Toch doet ge triomfant’lijk en beweert

Dat gij en ik niet merkbaar zijn gedeerd.

’t Is waar en leert hieruit: vals is uw angst;

Uw eer, als gij bezwijkt, lijdt net zo lang

Als ’t sterven van die vlo u ’t leven nam.

(Vertaling Jan Eijkelboom/ © De Arbeiderspers)