Sprekende muren

Op 1 mei 1953 ben ik journalist geworden. Ik kreeg voor de zomer een baantje op de redactie buitenland van het Algemeen Handelsblad, Nieuwezijds Voorburgwal 234. De Voorburgwal werd ook wel de Fleetstreet van Amsterdam genoemd. Altijd weer die vaderlandse nederigheid, je vergelijken met een beroemd buitenlands voorbeeld. Fleetstreet is de Voorburgwal van Londen. Hoe dan ook, ik ging voor het eerst dat mooie gebouw binnen, de statige trappen op. Aan de muur hingen de portretten van alle hoofdredacteuren sinds 1828. Het rook er lekker, een vage geur van papier en sigaretten. Daar heb ik de eerste zeventien jaar van mijn leven met betaald werk doorgebracht. Bij de buren, Café Scheltema, leerde ik de journalistieke cultuur van die jaren kennen. En toen, iedereen zag het aankomen maar het kwam toch nog onverwacht: de krant ging het gebouw verlaten. De Amsterdamse redactie verhuisde naar de overkant, het gebouw dat van Gerzon was geweest. Partir c’est mourir un peu.

Niet lang daarna kwam de volgende verhuizing. De Amsterdamse redactie van wat intussen NRC Handelsblad was geworden, ging naar de Paleisstraat, de tweede verdieping in het gebouw dat van de Grote Club was geweest. Een vorstelijk onderkomen, waar ik bovendien mijn eigen kamer had, op het zuidwesten. De hele dag prachtig licht. In de loop der jaren heb ik daar wortel geschoten. Ik had er mijn boeken, planten, machientjes, wandversiering en een slaapbank. En toen sloeg de economie van het dagbladwezen weer toe. Verhuizen! Naar de Herengracht 545. Ik moest mijn hele beroepsparadijs afbreken. In het nieuwe onderkomen kreeg ik weer een eigen kamertje, veel kleiner en nu op het noorden. Toch was het er na een paar maanden weer buitengewoon dragelijk, met mijn boeken, de oude planten en een gezellige redactie. Er stonden een ouderwetse koffiemachine en een ijskast met een genereuze hoeveelheid blikjes chocomel, mijn lievelingsdrank.

En toen, op een kwade dag, kwam het bericht. Opnieuw verhuizen, nu naar een gebouw aan de Jacob Bontiusplaats. Het heet Init en het is het meest mensonvriendelijke gebouw dat ik ken. Eerst met lijn tien door de diep melancholieke Czaar Peterstraat. Dan, na een paar straathoeken het volle uitzicht op dit zwartglazen aquarium. Je loopt langs de voorgevel, slaat de hoek om en wordt getroffen door de Bontiuspassaat, de ijskoude wind die onafhankelijk van het seizoen je vol in het gezicht blaast.

Naar binnen. Na een roltrap kom je in de Al Gore-hal, de grootste, leegste en best verwarmde ruimte van dit werelddeel. En dan, tot een half jaar geleden, bereikte je op de tweede verdieping de Amsterdamse redactie, één flinke ruimte met in rijen opgestelde bureaus, ongeveer als in een schoolklas. Daar viel voor mij geen wortel meer te schieten. Gelukkig ook niet geprobeerd, want daar kwam de nieuwe verhuizing, nu naar een entresol in hetzelfde gebouw. Voor het eerst een ruimte zonder ramen; geen mogelijkheid meer om naar buiten te kijken. Gelukkig nog wel de vastberaden harde kern van jongens en meisjes die dagelijks de krant maken.

Een redactie is een vriendenclub, heeft Derk Sauer gezegd. Hij heeft gelijk. Maar dat is alleen mogelijk als de vrienden een goed clubhuis hebben. Gelukkig verhuizen we over een jaar naar het Rokin. Daar in de omgeving heeft in oude gebouwen de redactie haar onzichtbaar geworden sporen nagelaten. Soms maak ik een ommetje, langs de Voorburgwal. Steek de Dam over, kijk omhoog, naar de tweede verdieping van de Grote Club. À la recherche du temps perdu. Als de muren konden spreken. Al was het maar één keer, een kwartiertje.