O zoete spierpijn

Een lamme hand van het schrijven, er zijn er maar weinig die daar nog last van hebben. Dankzij email is er snelheid in de briefwisseling gekomen. Tiktak heen en weer, als Ajax in zijn gloriedagen.

Paper with ink and pen
Paper with ink and pen Image Source

In 1993 kreeg ik een brief van een onbekende vrouw uit mijn geboortedorp Terwispel. Ze had mijn net verschenen roman Het huis M. gelezen en zich in een van de hoofdpersonen herkend. Al in het begin van het boek wordt een dame van middelbare leeftijd in bedoeld M-huis aangetroffen. Dood, en hoe! Haar lichaamsdelen liggen in alle hoeken van een kamer verspreid, met bloedverf is haar fraai en goedgelijkend portret op de vloerplanken geschilderd. Gaande het boek staat ze een aantal malen op uit de dood om warme dingen aan te richten, steeds wordt ze opnieuw vermoord. De huiseigenaar wordt verdacht van deze seriemoord op één vrouw en de zaak is ingewikkeld genoeg om een hele roman lang de gemoederen in de omgeving bezig te houden.

In dat arme slachtoffer had die briefschrijfster zich dus herkend. Ze had net als de dame in het boek ook rood haar en was eveneens van middelbare leeftijd. De Terwispel-mevrouw woonde in een huis niet ver van de plaats waar ik het levenslicht mocht zien. Vond ze ook een aanknopingspunt. Ze leefde er alleen, wanneer kwam ik eens langs? Welkom! Ze schreef dit in een rijk versierde brief. Ze was artieste en had zich toegelegd op de epistolaire sectie van het kunstbedrijf. Mail art, sinds Fluxus uit de jaren zestig een tijdlang erg populair. Lintjes, strikjes, eigenhandig ingekleurde tekeningen. Opgeplakte plaatjes uit tijdschriften, die men slechts in een ondoorzichtige plastictas over de openbare weg vervoert. Een aanstekelijk schrijven, daar moest ik wel op antwoorden. Ik informeerde vriendelijk welke attributen ik mee moest nemen bij een eventueel bezoek. Een messenkoffer, slagersbijl, een beenzaag soms? Vrolijkheid per kerende post. Haha, dat was wel een idee. Ze hield van lekker eten. Bij voorkeur vlees, à point gebraden.

De brief waarin ze mij dat meldde, was net als de eerste rijk verlucht en bevatte vele bijlagen. Een heel pak bij elkaar. Als je blies dan ging van alles wapperen. Crêpe, vellen rijstpapier in alle kleuren van de regenboog. Handgeschepte kaartjes vond ik ook, met kalligrafische hoogstandjes. Kennelijk had ze zich daarin via een avondcursus bekwaamd. Een foto ontbrak. Ik verzocht daarom. Géén foto in haar antwoordbrief aangetroffen. Onwillekeurig ga je dan zelf een beeld ontwikkelen, en na nog twee fotoloze brieven had ze me waar ze wenste: in gretig briefcontact. En? Wanneer kwam ik nou? Die laatste vraag werd steeds artistieker vormgegeven. Ik aarzelde maar steeds – ik had geen foto. Haar uitnodigingen werden na een maand of twee zo dringend dat ik langzaamaan verzakelijkte. Ons epistelverkeer ging tegenstaan – ik ging nooit bij haar langs. Na zwaar tafelen droom ik nog wel eens van de kansen die ik miste.

In die jaren was ik een echte brievenman. Ik had me voorgenomen schrijver te worden maar was dat nog niet. Oefentijd, brievenschrijven. Het was de tijd van de lamme schrijfhand, een vervelend bijverschijnsel. Ik bombardeerde vrienden en kennissen, soms met brieven van wel dertig kantjes lang, handgeschreven. Carbonpapier onder het vel van dienst, de doorslagen gingen in het archief. Handig voor de biograaf die er beslist moest komen, als mijn grootse oeuvre eenmaal rond zou zijn. Sommige geadresseerden probeerden me hijgend bij te houden in mijn woordenvloed, anderen staakten de strijd meteen – ze zeiden zich overspoeld te voelen. Aanleiding om te minderen.

Ik hield dus tijd over en ging brieven lezen, van de grootste auteurs waarvan maar brieven uitgegeven waren. Ik genoot van August Strindbergs (1849-1912) talent op dit gebied. Schaterwerk soms, al denk ik dat hij het ernstig meende toen hij aan zijn schoonmoeder schreef ‘Ik ben een adelaar en jij een duif’. Multatuli (1820-1886) bleek ook een meester op briefgebied. Zijn talrijke, uitgebreide epistels zijn vaak net zo goed als wat hij tijdens zijn leven aan fictie publiceerde en niet zelden stukken vrolijker. Ik denk nu aan diens warme woorden over zijn ‘snoepige’ kanarie J.C.J. Van Speyk, het diertje dat liefst op zijn schouder zat als hij werkte en als het daartoe aandrang voelde een eigen, grote boodschap aan een brief toevoegde. Wie Multatuli wil zien ouwehoeren, leze zijn brieven. Altijd leuk. En je vindt privégegevens, zoals zijn tegenwoordigheid van geest tijdens de bevalling van zoon Edu.

Met het oog op de bewegingsvrijheid van de vroedmeester moet het kraambed van de muur geschoven, een hemelbed waarvan de bovenzijde aan het plafond is bevestigd: ‘Gedurende de verlossing op ’n zeer kritiek oogenblik moest de hemel van ’t ledikant worden afgeschroefd! Twee kruiers en ik moesten naast of schrylings over de gillende patiënte op ’t bed staan om ’t zwaar gevaarte los te maken! Er was geen oogenblik te verliezen. Het water was gebroken!’

Zo’n passage stimuleert. De eigen brieven werden minder stijloefening, meer privé en stukken korter. Mijn epistelleven bloeide op, ik kreeg weer antwoord op mijn schrijven.

Intussen ging ik boeken publiceren, daar ging veel aandacht heen. Brieven bleef ik schrijven, elke kans daartoe greep ik aan. Alles met de hand gemaakt, ook tekeningetjes, net als Multatuli. Voor ’t archief, voor de biograaf. Men zou mij later, straks, nog eens zien staan te midden in het papieren literaire leven!

In 1996 sloot ik me aan op het internet. Ik kreeg emailmogelijkheden. Dat veranderde een hoop. Er kwam snelheid in de briefwisseling. Minder tussentijd, geen trage postbezorging meer. Email sturen is een kwestie van seconden. Men kon nu sneller reageren, lik op stuk. In je eerste enthousiasme smijt je je daar dan helemaal in. Anderen deden dat ook. Waar men vroeger uitgebreid ging zitten om een mooie brief te componeren, nu was het werk voor tussendoor. Er ging wel een onberispelijke wereld voor me open. Spelfouten fluks hersteld, geen doorhalingen meer, geen kanarievlekken van een pen die lekt. En nooit meer spierpijn van het schrijven. In die wereld was snelheid geboden, maar dat voelde als een verhoogde staat van zijn. Tiktak heen en weer, als Ajax in zijn gloriedagen. Mooie combinaties, snelle dribbels, nu en dan een splijtend schot. Je was altijd op je post, alert. Binnen een week bleken mijn contacten echter óók andere beslommeringen te hebben dan afleidend mailverkeer. Ik voelde ergernis als ik eens een uur of wat moest wachten op reactie. Email heeft mij heel wat brievenongeduld bezorgd. Ik raak het, vrees ik, nooit meer kwijt.

We zijn nu ruim veertien jaar verder. Het ‘postkoetsbriefverkeer’ zoals ik het iemand onlangs hoorde noemen is bijna opgedroogd. Zeldzaam als men nog eens een papieren brief door de bus hoort vallen. Men mailt – de handgeschreven brief lijkt van vervlogen tijden. In de Verenigde Staten wordt een top-25 bijgehouden van ‘Things Vanishing From America’. De handwritten letter prijkte in 2008 op nummer 9.

In ons land zullen de zaken wel niet veel anders liggen. Een wonderlijke noot in dit verband is wel een opmerking van de dichter Jan Engelman (1900-1972). Hij schreef in 1945 een stuk over de Nederlandse componist Diepenbrock (1862-1921), waarin hij diens epistolaire talent ‘een zeldzaamheid in onze haastige tijd’ noemde. Wanneer zou die haastige tijd dan eigenlijk zijn begonnen? Dik twintig jaar eerder was alles nog in orde met briefschrijvend Nederland, als we Louis Couperus (1863-1923) tenminste mogen geloven: ‘Nimmer wist ik, voor ik in Holland terug was, dat de Hollanders zulk een epistolair volk waren. Het komt mij voor, dat zij het brievenschrijven niet kunnen laten, ten minste, wat mij betreft, ik krijg vijf of zes brieven per dag.’ Met de hand geschreven brieven, dat is zeker. Ook in het licht van de enorme hoeveelheid grootse brieven van Gerard Reve is Engelmans opmerking over haastige tijd hoogst eigenaardig. Laten we het er dus maar op houden dat het toch de email was, die gaande de jaren negentig van de vorige eeuw de handgeschreven brief deed belanden op de lijst van bedreigde communicatiemiddelen.

Wat verliezen we nu eigenlijk met het verdwijnen van de handgeschreven brief? Tekeningen in de tekst misschien, de fysieke bijlage wellicht. De dichter Willem Bilderdijk (1756-1831) tekende prachtig in zijn brieven, maar moet ook geregeld haarlokken in zijn enveloppen hebben bijgevoegd. Niet voor niets herbergt het Amsterdamse Bilderdijkmuseum nog steeds voldoende haar van deze Prins der Dichters voor het vlechten van vijf, zes integrale pruiken. Ik las een column in Vrij Nederland van de aanstormende auteur Marente de Moor, die specifiek over de uitstervende papieren liefdesbrief ging. Ook zij noemt de haarlok, belangrijker vindt ze de geur. Ook een kwestie van fysiek: „Vroeger parfumeerden we het papier. Dat was een geraffineerd lokkertje, want terwijl ons verstand de woorden naar ons hart schoof, snoof de neus onbestemde verlangens in ons instinct. Lezend en snuffelend leden we een poos in stilte, tot de volgende envelop, dichtgelikt notabene, door de brievenbus gleed. Dit dierlijk smachten is door geen e-mail te vervangen.”

In dezelfde sfeer ligt ‘dat kleine, azuren, jongemeisjesachtige briefpapier’ waarover de Vlaamse schrijver August Vermeylen (1872-1945) het heeft. Kleur, geur, de dingen die het doen. Waar is de tijd dat zoals de literaire reus uit Engeland Laurence Sterne (1713-1768) nog dit kon schrijven aan een vrouw? „Mijn lieve Kitty, Als deze Brief je in Bed aantreft, dan ben jij een luie, slaapzieke sloerie.” Wie nog niet op iPod of iPad is overgestapt krijgt een electronische brief doorgaans niet in bed, maar achter het bureau, aan de pc. Bij een volgend briefcitaat van Sterne mag men zich dan in de leesbaarheid van onze dagen verheugen, maar we zijn wel charme kwijtgeraakt: „Ik heb u dit zo smerig en haastig geschreven dat ik bang ben dat u er mee naar een handschriftkundige moet.”

Is er nog hoop voor de handgeschreven brief? Op deze plaats in dit stuk meende ik dat mij een wandeling buiten goed zou doen. Licht, lucht, de dingen die men in ouderwetse brieven vindt. Voor de deur trof ik de dochter van mijn vrouw, een bloem van vijfentwintig. Even vragen: „Handgeschreven brieven, doe jij daar nog aan?” Juist weer wel. „Mails zijn zó van gisteren! Wij sturen kaarten, briefjes ook.”

En daar loop je dan. De pest in het lijf. Dat wordt weer lamme schrijfhandtijd. Ik dacht aan mijn briefvriendin uit Terwispel. Vroeger. Warm. Rood haar, al stuurde ze nooit een lok. Hoe zou het met haar zijn? Ze zal nu achter in de zestig zijn.

Vervlogen tijd en toekomst. Straks weer brieven krijgen in de bus, vol bonte kunst en linten. Als we tenminste nog een postbode kunnen vinden die ze wil bezorgen.