Kabinet vergist zich in de positie van de senaat

Het kabinet-Rutte dacht de Eerste Kamer op afstand te kunnen houden. Dat bleek tijdens het debat over het Belastingplan een grote vergissing , schrijft Hans Engels.

Met het aantreden van het kabinet-Rutte is de Eerste Kamer nadrukkelijk in beeld gekomen. Aanvankelijk probeerde de coalitie de Eerste Kamer op afstand te zetten met politieke mistgordijnen als chambre de réflexion en ‘wetgevingskamer’.

Staatsrechtelijk werd het de regeringspartijen al snel duidelijk dat de senaat niet alleen wetten beoordeelt naar juridische maatstaven, maar deze ook politiek weegt. Duidelijk werd ook dat de Eerste Kamer beschikt over dezelfde controlerende instrumenten als de Tweede Kamer, dat ze daarmee de – politieke – ministeriële verantwoordelijkheid kan activeren en dat ze deze uiteindelijk, via het opzeggen van vertrouwen, kan bekrachtigen.

De tot dusver betrachte terughoudendheid van de senaat is een zelfgekozen, niet door het staatsrecht verplichte attitude. De reden daarvoor houdt zeker verband met het politieke primaat van de direct gekozen Tweede Kamer, maar ook praktisch was er tot voor kort weinig aanleiding voor een activistische of rivaliserende opstelling, omdat elk kabinet doorgaans altijd kon rekenen op een meerderheid van bevriende fracties in de Eerste Kamer.

Tijdens de Algemene Politieke Beschouwingen met premier Rutte in de Eerste Kamer werd deze positie voor de goede orde herbevestigd. Tegelijkertijd bleek dat met de aanwezigheid van een oppositionele meerderheid de politieke terughoudendheid van senaat al flink was afgenomen.

Er kwam Kamerbreed veel kritiek op de coalitie, het kabinet, het regeerakkoord en vooral het gedoogakkoord. Het aantal ingediende moties, vooral gericht op de inhoud van het gedoogakkoord, was groot. Premier Rutte kwam met zijn eerste mistaxatie, door te suggereren dat de aangenomen moties wellicht niet allemaal zouden kunnen worden uitgevoerd.

Tijdens het debat over het Belastingplan 2011 van vorige week werd opnieuw zichtbaar hoezeer de tot dusver in acht genomen terughoudendheid van de Eerste Kamer is verwaterd. In een gevraagde brief om uitleg, waarbij de nadruk lag op de uitvoering van de motie-Noten om de verhoging van de btw op de podiumkunsten geen doorgang te laten vinden, viel de premier terug op een aantal vermeende formeel-staatsrechtelijke belemmeringen van wetgevingstechnische aard. Deze bleken in het debat niet houdbaar, waarmee de tweede mistaxatie aan de orde was.

Vervolgens betrok de eerstverantwoordelijke staatssecretaris de wonderlijke stelling dat er voor de Eerste Kamer geen politieke ruimte is als de coalitiepartners, en daarmee de Tweede Kamer, iets niet willen.

Dat bleek een derde, ernstige en fatale misrekening.

Niet alleen verenigden alle fracties zich in reactie daarop, door Kamerbreed het kabinet te dwingen een concessie te doen met betrekking tot de btw-maatregel. Minder opvallend, maar minstens zo belangrijk, was dat de senaat het kabinet een lesje staatsrecht bijbracht over de verhouding met de Eerste Kamer.

De vraag hoe het politieke verkeer tussen de regering en de Eerste Kamer hoort te verlopen, moet staatsrechtelijk door de regering en de Eerste Kamer zelf worden beantwoord. In dat proces dient de regering een eigenstandige opstelling te kiezen en zich niet te verschuilen achter opvattingen binnen de coalitiepartners of de Tweede Kamer.

Betekent dit alles dat de verhoudingen tussen het kabinet en de senaat vastliggen? Allerminst. Het is immers nog maar de vraag of het kabinet de boodschap van de senaat goed begrepen of zelfs geaccepteerd heeft.

Dat is buitengewoon zorgelijk. In de eerste plaats omdat het niet aangaat dat het constitutionele bewustzijn binnen een van de centrale constitutionele en wetgevende organen onderontwikkeld lijkt en ook de politieke behoorlijkheid in het gedrang is gekomen. In de tweede plaats omdat tot aan de verkiezing van een nieuwe Eerste Kamer in mei nog enige, niet onbelangrijke wetten en alle begrotingen moeten worden behandeld.

Niet ondenkbaar is dat dan vanuit de senaat nieuwe wensen en bedenkingen bij het kabinet op tafel worden gelegd. Valt het kabinet in dat geval terug op dezelfde of nieuwe staatsrechtelijke misverstanden, dan zullen de politieke gemoederen weer snel oplopen. Nieuwe botsingen en krachtmetingen zijn dan niet uitgesloten. Anders gezegd: tijdens het kerstreces is de ruststand in de wedstrijd Eerste Kamer - kabinet 1-0.

Hans Engels is fractievoorzitter van D66 in de Eerste Kamer en hoogleraar staatsrecht in Groningen en Leiden.