Ik schik de kleuren van Mondriaan

Maria Barnas neemt afscheid als columnist van het Cultureel Supplement. Haar laatste bijdrage is een fragment uit haar nog te verschijnen fictieve autobiografie van de verdwenen kunstenaar Bas Jan Ader.

Ik zat bij mijn moeder aan de keukentafel. Ze droeg haar gele jurk. Ik wilde een tekening voor haar maken. Ik wilde de zon voor haar tekenen. De wolken die zich om de zon verdrongen en ons huis in een grijzend bad legden. De chrysanten die het huis omzoomden. De vogel die mijn moeder een ekster noemde en mijn broer een paradijsvogel.

„Wat zal ik tekenen, mama?”

Mijn moeder stond de afwas te doen. Ze hoorde me niet. Of deed alsof ze me niet hoorde. Het glas in haar hand was een samenballing van de ruimte die we deelden. Ik ging dicht bij haar staan en zag ons in de keuken, vervormd in het glas. Het aanrecht was lusvormig, mijn hoofd begon smal en liep wijd uit als een trechter. Mijn moeder schoot in een gele, langgerekte baan de keuken uit. Het huis uit, de straat uit.

Ik trok met een geel potlood een lijn over het papier. Heel langzaam. Ik drukte de punt van het potlood hard in het papier. Ik wilde voelen hoe een gele lijn de wereld uit vlucht.

‘Krampachtig’ is het woord dat in me opkomt als ik aan mezelf terugdenk als kind. Het is een woord dat nog steeds bij me past, al doe ik mijn best de dingen luchtig te benaderen.

„Wat doe je nu!” riep mijn moeder. Haar afwashandschoen een gladde klauw in mijn nek. Ze rukte het tekenpapier van tafel en wees vol afschuw naar de groef die was ontstaan in het tafelblad.

„Dat ben jij”, probeerde ik nog.

Een zonnestraal.

Ze sleurde me aan een oor naar buiten en smeet de voordeur in het slot. Daar zag ik het licht achterin de tuin wegtrekken tot het donker was en koud en mijn broer de voordeur voor me op een kier zette.

Als ik een zonnestraal zie, waar ik ook ben, moet ik nog steeds aan haar denken.

Ik geloof dat de gekerfde tafel het eerste kunstwerk is dat ik heb gemaakt. Ik was er trots op dat ik de beweging van mijn moeder had weten te vangen op een plek die we elke dag met elkaar deelden, aan het ontbijt, tussen de middag en bij het avondeten.

Al schoot ze als gele streep of vlek of vlekkend zonlicht de kamer uit, al kwam ze nooit meer terug, al liet ze me nooit meer binnen, ik zou haar altijd kunnen aanraken op het tafelblad.

Met mijn ogen dicht kon ik haar vinden.

‘Lighten up’, hebben ze in Amerika vaak tegen me gezegd. Ik probeer het wel. En soms is het ook zomaar licht in mij. Licht als voeten die niet stil kunnen blijven staan omdat ze willen dansen op muziek. Niet dat ik graag dans. Ik kan helemaal niet dansen, maar ik heb wel eens de aandrang gevoeld. Licht als de kleuren die mijn ogen binnendringen wanneer ik in het volle zonlicht zit.

„Niet in het zonlicht kijken, kijk nooit in de zon!”

Mijn moeder zei het. Mijn broer zei het haar na. Je kon er blind van worden.

Wat kon ik anders doen dan kijken of ze gelijk hadden?

Ik heb nooit zomaar iets van anderen aangenomen. Niet omdat ik anderen niet geloof, maar omdat diep in mij een stem protesteert tegen alles wat als waarheid wordt gepresenteerd. Die stem, daar ben ik mee geboren.

Ik wilde niets liever dan aannames openbreken. Ik wilde de eerste barst veroorzaken. Ik wilde die barst zijn.

Zo kwam het dat ik als zesjarige nachten wakker lag met oneindige rekensommen. Twee maal twee is vier, had ik geleerd, maar ik telde het op mijn vingers na. Drie maal drie. Vier maal vier.

Ik stelde me voor dat ik de eerste was die eeuwenoude aannames eens op zijn vingers natelde. Ik zou ontdekken dat twee maal twee zeven was, negen, of elf. De wiskunde zou voorgoed op zijn kop staan. Alle berekeningen, alle optelsommen en breuken die in de loop der eeuwen waren gemaakt, zouden herzien moeten worden.

Men wist zich geen raad met mij. Was ik een held of een querulant? Men besloot dat het niet uitmaakte, dat ik hoe dan ook een medaille verdiende, en een zilveren beker voor alle moeite. Het liefst wilde ik een rozet. Een rozet zoals een klasgenoot had gewonnen voor het springen over een hek met een paard, maar met een medaille of een beker zou ik ook tevreden zijn, ik zou niet klagen. Mijn broer zou mijn beker even vast mogen houden, hij zou hem ook wel even op zijn kamer mogen zetten. Iedereen zou toch weten dat ik de winnaar was. De teller der tellers. De ontdekker van de eeuw.

De ontdekker van de eeuw keek in de zon en werd niet blind. Hij zag kleurenwaaiers dansen. Er waren lichtgroene banen die traag op en neer deinden, als heuvels in een landschap dat nog naar een vaste vorm op zoek was. Er waren spetters van licht die zonder navolgbaar patroon of ritme uit de hemel daalden, om zomaar te exploderen in een regen van bliksemschichten, en dan weer uit te doven in een nevel van lichtspikkels, fijn als speldenprikken. Rode en paarse dikke druppels gleden naar beneden als over een ruit. Blauw legde alles in een rustig bad.

De kleuren dansten nog voor zijn ogen toen hij die nacht moeilijk in slaap kwam. Hij smolt samen met de kleuren, dronk de kleuren. De kleuren stroomden door zijn bloed en bonkten in zijn hoofd. Hij bestond uit kleur.

Hij wist dat hij zijn moeder nooit meer kon vertrouwen.

Toen ik eenmaal wist dat ik kunst aan het maken was, zodra ik me op een wakkere manier tot mijn omgeving verhield, wist ik dat mijn dagen waren geteld. Ik kon niets meer doen of het werd kunst. Fietsen langs een gracht werd al het idee voor een film, toen ik de gedachte niet kon loslaten met een ruk aan het stuur in het water te belanden.

Mijn eigen hoofd werd andermans hoofd, het hoofd van iedereen, toen ik een filmcamera op mezelf richtte en na het drinken van een kopje thee begon te huilen. Het script was kort en duidelijk: drink tea sadly and begin to cry. Ik had het gepland, ik speelde dat ik huilde. En toch, toen ik eenmaal huilde en van geen ophouden meer wist, kon ik moeilijk volhouden dat het een spel was.

Wat ik dronk, vloeide als tranen uit mijn ogen. Ik jankte niet eens om mijn eigen eindigheid of leegte. Ik jankte al lang niet meer om de onoverbrugbare ruimte tussen mij en de ander. Het was het verdriet van de wereld dat als koele en koelere lucht in de atmosfeer om een plek strijdt en soms – het moet ergens heen – als een ijzige wind door mij heen trekt.

Ik kan niet zomaar bloemen in een vaas zetten. Ik schik de bewegingen van mijn moeder, terwijl ik zoek naar de manier waarop zij bloemen in een vaas zette.

Ik schik de kleuren van Mondriaan. Ik steek gele, blauwe en rode bloemen in de vaas, neem er ook weer bloemen uit, tot een enkele kleur de overhand krijgt en er – schijnbaar plotseling – een monochroom boeket ontstaat.

Ik schilder geen bloemen, ik schilder ook niet mét bloemen. Ik wil de werkelijkheid niet nadoen. De werkelijkheid is wat ik gebruik als materiaal, en wat ik veroorzaak.

Ik schik een bloemstuk voor mijn afscheid van de wereld.

Bas Jan Ader was een Nederlands conceptueel kunstenaar. In 1975 stapte hij op 33-jarige leeftijd in een kleine zeilboot om vanuit Cape Cod de Atlantische Oceaan over te steken. Zijn boot is aangespoeld aan de Ierse kust. Het lichaam van Bas Jan Ader is nooit gevonden.