Hulp aan Haïti heeft hopeloos gefaald

Waarom zijn in Haïti minstens 2.500 mensen aan cholera overleden, terwijl er ongeveer 12.000 ngo’s in het land zijn? Het hulpsysteem van de Verenigde Naties werkt totaal niet, betoogt Unni Karunakara.

Haïti zou geen logisch decor horen te zijn voor het jongste fiasco van het humanitaire hulpsysteem. Het land is klein en toegankelijk. Sinds de aardbeving van afgelopen januari vindt hier een van de grootste en best gefinancierde internationale hulpoperaties ter wereld plaats. In het land zijn naar schatting 12.000 niet-gouvernementele organisaties. Waarom zijn dan minstens 2.500 mensen overleden aan cholera, een ziekte die eenvoudig te behandelen en te beheersen is?

Artsen Zonder Grenzen (AZG) heeft al meer dan 75.000 choleragevallen behandeld, samen met een Cubaanse artsenbrigade. Weinig andere instellingen namen maatregelen ter beheersing van cholera, zoals afvalbeheer en de distributie van chloorwater. In de elf maanden sinds de aardbeving zijn de sanitaire voorzieningen nauwelijks verbeterd, waardoor de cholera zich in duizelingwekkend tempo heeft kunnen verspreiden.

Tien dagen nadat de uitbraak Port-au-Prince bereikte, stelden onze teams vast dat de bewoners van Cité Soleil nog altijd geen toegang hadden tot drinkwater met chloor, ook al hadden hulporganisaties geld geaccepteerd om die toegang te verzekeren. Wij zijn het water toen zelf gaan chloreren. Er is nog altijd maar één operationele plaats voor afvalverwerking in Port-au-Prince (drie miljoen inwoners).

Haïtianen werden overstelpt met sms-oproepen om zich te wassen voor het eten. Anderzijds moesten ze hun kinderen baden in vrijwel ongezuiverd rioolwater. Voor de aardbeving had maar 12 procent van de 9,8 miljoen Haïtianen leidingwater.

In Haïti bestaan enorme leemten in de toepassing van beproefde bestrijdingsmaatregelen. Inmiddels zijn meer dan 120.000 mensen ziek en overleden al minstens 2.500 mensen.

Het onderzoek naar de oorsprong van de uitbraak is niet openbaar gemaakt, ook al is dat van wezenlijk belang om het gedrag van de epidemie te begrijpen.

De hypothesen over de herkomst van de cholera lopen uiteen van de verontreiniging van de rivier de Artibonite door blauwhelmen via klimaatverandering tot voodoo. Bij gebrek aan transparantie hebben angst en argwaan geleid tot geweld. De onrust onder de bevolking wordt nog versterkt door de voorspellingen van epidemische ramspoed door de Pan American Health Organisation (PAHO), een zuster van de Wereldgezondheidsorganisatie.

Het epidemiemodel van de PAHO heeft niet geleid tot een doelmatige inzet van hulp. Enorme hoeveelheden hulp zijn geconcentreerd in Port-au-Prince, Aan de onervaren gezondheidswerkers op het platteland, waar de cholera floreert, is amper steun verleend.

Tal van ngo’s hebben opgeroepen tot geldinzameling, ook al is hun portemonnee nog altijd goed gevuld na de aardbeving. Het Bureau voor de Coördinatie van Humanitaire Aangelegenheden (OCHA) van de VN heeft herhaaldelijk gesteld dat de cholerabestrijding wordt gehinderd doordat het niet is gelukt de beoogde 174 miljoen dollar bijeen te krijgen, ook al is in 2010 in VN-verband het meeste geld ingezameld voor Haïti. Nu nog altijd bijna een miljoen Haïtianen dakloos zijn en de volksgezondheid in grote nood verkeert, heeft het argument dat de fondsen gebonden zijn aan langetermijnprogramma’s een holle klank.

De ontoereikende reactie op de cholera in Haïti – direct na de trage en sterk gepolitiseerde hulpverlening na de overstromingen in Pakistan – vormt een vernietigende aanklacht tegen een internationaal hulpsysteem dat de afgelopen vijftien jaar zorgvuldig is opgebouwd.

In de jaren 1990 hebben de VN een aanzienlijk institutioneel apparaat voor humanitaire hulpverlening ontwikkeld en de illusie van een centraal, doeltreffend hulpsysteem geschapen. In 2005, na de tsunami in Azië, kreeg het systeem nog eens een facelift door de instelling van een mechanisme voor snelle noodfinanciering – Central Emergency Reserve Fund – en werd ter verbetering van de hulpverlening het ‘clustersysteem’ ontwikkeld.

Het huidige hulplandschap is gevuld met clustersystemen op terreinen als volksgezondheid, huisvesting en drinkwater- en sanitaire voorzieningen, in een onrealistische poging hulporganisaties – groot en klein en met uiteenlopende capaciteiten – onder één vlag te brengen. Sinds de aardbeving heeft alleen al de VN-cluster volksgezondheid 420 deelnemende organisaties in Haïti.

In plaats van de technische ondersteuning te bieden waarbij veel ngo’s wellicht zouden zijn gebaat, lijken deze clusters op zijn hoogst in staat basisinformatie te verstrekken. In een snel veranderende noodsituatie behalen ze weinig concrete resultaten. Hoe slecht het huidige systeem werkt, werd onderstreept toen ik de Haïtiaanse president René Préval persoonlijk een vergadering van een gezondheidzorgcluster zag voorzitten, in een laatste poging om de cholerabestrijding een nieuwe impuls te geven.

Een coördinatie van hulporganisaties zal misschien goed klinken voor donorregeringen die uit zijn op politieke invloed – in Haïti legitimeert het systeem ngo’s die in een bepaald gebied de verantwoordelijkheid opeisen voor de volksgezondheid, hygiëne of andere terreinen, maar dan niet de capaciteit of kennis hebben om het benodigde werk uit te voeren. Daardoor blijven de behoeften van mensen onvervuld.

Coördinatie is weliswaar belangrijk, maar moet geen doel op zich worden. Ze moet uitgaan van de werkelijkheid en zich richten op de vervulling van de noodzakelijke behoeften.

De cholera-uitbraak in Haïti zal in de nabije toekomst nog meer levens blijven eisen. De hulpgemeenschap als geheel heeft verzuimd om onnodige doden te voorkomen, onder een bevolking die al zo tragisch is getroffen door de ene ramp na de andere.

Unni Karunakara is internationaal voorzitter van Artsen Zonder Grenzen. Dit artikel is oorspronkelijk gepubliceerd in The Guardian.