Het soldaatje wankelt, en vat vlam

Eigenlijk geloofde André Gide niet in oprechte memoires. Bas Heijne haalde Gides herinneringen uit de ramsj en concludeert dat zijn mentaliteit hem voor vergetelheid zal behoeden.

André Gide: Niet als de anderen. Herinneringen. Vertaald door Mirjam de Veth. Atlas, 350 blz. De Slegte in Amsterdam, van € 19,95 voor € 8,99

Openheid en eerlijkheid zijn twee verschillende dingen. In het mediatijdperk, waarin de grens tussen het openbare en het private radicaal vervaagt, raken die twee begrippen hopeloos verward. In de schappen van de supermarkt staan rijen bladen waarin bekende persoonlijkheden en semibekende persoonlijkheden het achterste van hun tong laten zien – alles in hun leven wordt uitgestald, dat wil zeggen alles wat spectaculair dramatisch is. Ziekte, de dood van een ouder of kind, de scheiding, de seks, de drankzucht, de ruzie, het overspel of de zin in overspel. Nog niet zo lang geleden zorgden zulke ontboezemingen en onthullingen voor ophef en rumoer, nu zijn ze ook in de serieuze media voorwaarde voor een goed gesprek.

Wat je verbaast als je die interviews leest, is hoe weinig persoonlijk ze zijn, terwijl toch alles nadrukkelijk in het teken van het persoonlijke staat. De heftige ervaringen worden geënsceneerd als drama, het lijkt bijna alsof ze buiten de persoon worden geplaatst, zodat zelfs de schokkendste ervaringen artificieel lijken, berekenend. Wie actief is op Facebook of Twitter is bekend met de verleiding van de zelfenscenering, ook als het geen dramatische gebeurtenissen betreft. De sociale media nodigen uit tot openhartigheid, maar het is een gekwalificeerde, of misschien moet je zeggen, gestroomlijnde openhartigheid – er kleeft een akelige hoeveelheid zelfbewustzijn aan. Het is een kwestie van zelfproclamatie, niet van zelfonderzoek.

De schrijver André Gide (1869-1951) zou ervan gegruwd hebben. Zijn opgetekende herinneringen, Si le grain ne meurt, die begin jaren twintig het licht zagen en een paar jaar geleden voor de tweede keer in het Nederlands werden vertaald onder de titel Niet als de anderen, streeft een radicaal zelfonderzoek na. Gide is zich bewust van de onmogelijkheid om al schrijvend tot de kern van zijn persoonlijkheid te komen, maar maakt juist dat besef tot de kern van zijn verhaal. Hij springt van de hak op de tak, gebeurtenissen worden niet in chronologische volgorde verteld. Hij corrigeert zijn herinneringen in voetnoten, laat zich door anderen corrigeren. Op tweederde van zijn boek voegt hij het commentaar van een collega-schrijver in: ‘Roger Martin du Gard, aan wie ik deze memoires heb laten lezen, heeft erop tegen dat ze niet openhartig genoeg zijn en de lezer met een onvoldaan gevoel achterlaten. Maar het is altijd mijn bedoeling geweest alles te zeggen. Er is echter een graad van vertrouwelijkheid die niet overschreden kan worden zonder kunstmatigheid, zonder jezelf te forceren, en ik streef vooral naar natuurlijkheid.’

Het probleem voor Gide is dat hij het gevoel heeft dat hij zijn ervaringen door ze op te schrijven, simplificeert. ‘Ik ben een mens van dialogen, alles in mij is innerlijk strijdig en met elkaar in tegenspraak. Memoires zijn altijd maar half eerlijk, hoe graag men ook de waarheid wil vertellen: alles is altijd ingewikkelder dan men zegt. Misschien benadert men de waarheid zelfs het dichtst in een roman.’

Dat is wellicht zo, maar Gide komt in Niet als de anderen een heel eind: hij heeft zijn eigen innerlijke verwarring expliciet gemaakt. Zijn kindertijd is stevig verankerd in de laat-19de-eeuwse Franse hogere burgerij – een strak geordende, afgesloten wereld, waarin alle rituelen vanzelf spreken en niets ter discussie staat. Gide noemt het zijn ‘betoverde cirkel van mijn geluk’. ‘Ik was bevoorrecht zonder dat ik dat zelf wist, zoals ik ook Fransman en protestant was zonder dat ik het wist, daarbuiten vond ik alles vreemd.’ Een huis moest een koetspoort hebben, er werd vanzelfsprekend eerste klas gereisd, ‘en ik kon ook niet begrijpen dat mensen die zichzelf enigszins respecteerden in het theater ergens anders konden zitten dan loge.’

Het is een compacte wereld, die zowel betovert als benauwt. Die spanning is in het eerste deel van deze herinneringen voortdurend voelbaar. De jonge Gide probeert instinctief over de grenzen van zijn overzichtelijke bestaan heen te kijken; hij tracht door te dringen in de geheimen van de natuur, hij laaft zich aan boeken en muziek. Voortdurend probeert hij de ‘werkelijkheid achter de werkelijkheid’ te ontdekken. De tinnen soldaatjes waarmee hij speelt, gebruikt hij niet om oorlogje te voeren, hij laat ze smelten: ‘Je zette ze rechtop op een schep, die je verhitte, dan zag je ze ineens wankelen op hun voetstuk, ze kiepten om en al snel ontsnapte er een flonkerend, vurig, sober zieltje aan hun dof geworden uniform…’

Wat hij zijn tinnen soldaatjes aandoet, past hij ook op zichzelf toe: ‘Niet als de anderen’ is het verhaal van de wording van een schrijver, maar vooral dat van een man op zoek naar authenticiteit en natuurlijkheid. Die zoektocht slaagt maar ten dele. Ondanks zijn genadeloze eerlijkheid blijft Gide ook deel uitmaken van het sociale universum waarin hij zo geborgen is opgegroeid. Hij maakt al snel geen geheim van zijn homoseksualiteit, en in het tweede deel verhaalt hij openlijk van zijn ontdekkingstocht met een vriend in Noord-Afrika aan het einde van de jaren negentig (waar hij Oscar Wilde en diens fatale minnaar Bosie, Lord Alfred Douglas, ontmoet tijdens hun seksuele strooptochten). Maar de geordende wereld laat hem niet los, hij keert terug naar Frankrijk, waar hij na de dood van zijn nogal dominante moeder met zijn nichtje trouwt. Die liefde is kuis maar ook oprecht, ze vertegenwoordigt een andere kant van Gides persoonlijkheid, het is geen ontkenning van zijn geaardheid.

Tijdens zijn leven gold Gide als een groot schrijver; in 1947 kreeg hij de Nobelprijs voor Literatuur. De eerlijkheid die hij consequent nastreefde, bracht hem vaak in moeilijkheden: hij schreef uiterst kritisch over het koloniale bewind in Congo en nam na een reis naar de Sovjet-Unie in niet mis te verstane termen afstand van het communisme, toen de Franse intelligentsia daar nog mee dweepte. Tijdens de oorlog was hij een van de weinige auteurs die op geen enkele manier met de Duitse bezetters collaboreerden. Zijn werk heeft sindsdien aan status verloren – en als je Niet als de anderen leest, begrijp je ook wel waarom.

Gide is een tijdgenoot van Proust, hij frequenteerde dezelfde sociale en artistieke milieus. Als lid van de redactie van de Nouvelle Revue Française, een tijdschrift dat werd uitgegeven door Gallimard, wees hij het eerste deel van Prousts romancyclus af, waarom is nooit helemaal duidelijk geworden. Waarschijnlijk deed een vluchtige lezing van wat een meesterwerk zou worden, hem vermoeden dat Proust een schrijver was die zwolg in de wereld die Gide nu juist probeerde te ontvluchten. Maar Proust maakte de Franse beau monde van vóór WO I transcendent – hij gebruikte zijn sociale milieu om tot de essenties door te dringen, terwijl Gide zich ertegen verzette vanwege de hypocrisie, de kwaadaardigheid en de afgestomptheid, maar er ook nooit helemaal van los kwam.

Wat blijft is zijn heldere, nietsontziende blik, zijn vermogen om consequent tegen zichzelf in te denken, alles steeds opnieuw te bevragen. Niet als de anderen laat zich nog steeds goed lezen als een nauwgezet tijdsdocument, het oprechte verslag van een artistiek en seksueel ontwaken in een bekrompen wereld, maar de blijvende literaire waarde zit wat mij betreft in de mentaliteit van de schrijver, die van een scherpe, zelfkritische, open geest die steeds bereid is de waarheid opnieuw tegen het licht te houden. Het is die mentaliteit die Gide voor de vergetelheid zal behoeden aangezien die ook in het tijdperk van de persoonlijke bevrijding en onthulling nog net zo schaars is als een eeuw geleden.