Het onbekende tegemoet door het sleutelgat

Geen enkele romanschrijver won een grote literaire prijs in 2010. En dat komt niet alleen omdat de romanoogst schraal was, schrijft Arjen Fortuin. De non-fictie heeft zijn plaats opgeëist, met voorop een boek dat leek te roepen: ‘Ik Zal Niet Verkocht Worden.’

Nederland , Haarlem, 8-11-2010. Foto Maarten Hartman. Winnaar AKO literatuur prijs David van Reybrouck
Nederland , Haarlem, 8-11-2010. Foto Maarten Hartman. Winnaar AKO literatuur prijs David van Reybrouck

Tweeduizendtien was het jaar waarin Nederland zich nog wat verder naar binnen keerde. We kozen een rechtse meerderheid in de Tweede Kamer, sneden in kunstsubsidies en ontwikkelingshulp en speelden het WK voetbal vanuit een gesloten, defensief systeem. En we wonnen niet.

Wat lazen we daarbij – en waarom? Weinig goede romans, helaas: pas in april werd ik voor het eerst echt geraakt, door De schilder en het meisje van Margriet de Moor. In de herfst kwam daar Grunbergs Huid en haar bij, een uitstekende Thomése (De weldoener) en het bizarre Mijn ontmoeting met God en andere avonturen van Wouter Godijn. Op een rij lijkt het nog wel wat, zoals de samenvatting van een saaie voetbalwedstrijd er ook nog heel aardig kan uitzien. De Nederlandse roman beleefde een schraal jaar.

Zijn we te zeer in onszelf gekeerd om ons te openen voor fictie, behalve als het gaat om de met overgave betreurde Harry Mulisch, die trouwens – zoals zijn dochter bij zijn begrafenis memoreerde – na 11 september 2001 niet meer heeft geschreven. Mulisch’ dood maakte Hella Haasse tot de Grote Eén van de naoorlogse literatuur en zorgde voor een kortlopende discussie over wie dan de nieuwe Grote Drie moesten zijn (Grunberg! Van der Heijden! Rosenboom! Een vrouw!); een keukentafeldebatje waarvan het verrassende vooral was dat het hier en daar ernstig genomen werd. Maar ach, er zijn waarschijnlijk ook nog mensen die denken dat Reve, Hermans en Mulisch behalve de beroemdste, ook de beste schrijvers van Nederland waren.

De band tussen Mulisch en de literaire actualiteit is een andere en schuilt in zijn oude uitspraak dat een mens geen romans schrijft in tijden van oorlog. Bij hem was de oorlog de Vietnamoorlog en was de niet-schrijvende schrijver Harry Mulisch zelf – zijn biograaf zal ongetwijfeld een doodgewoon writer’s block blootleggen. Maar als het zo is dat tijden te roerig kunnen zijn voor romans, is het niet gek dat 2010 het jaar van de non-fictie werd.

Want dat was het geval bij de vier grote Nederlandse literaire prijzen. Romans speelden geen rol: de Librisprijs ging naar een bundel columns (Kleine dagen van Bernard Dewulf), de Constantijn Huygensprijs naar de zeer korte verhalen van A.L. Snijders, de P.C. Hooftprijs naar H.J.A. Hofland en de AKO- prijs naar David Van Reybrouck voor Congo, die ook nog de Greshoffprijs en de Grote Geschiedenis Prijs in de wacht sleepte.

Niet alleen jury’s en critici wendden zich tot het waargebeurde, ook de echte lezers. In de bestsellerlijst van de kerstweek ontbreken Nederlandse romans in de top 10. Op 8 en 9 staan twee thrillers, de enige twee serieuze, oorspronkelijk Nederlandse boeken zijn Wij zijn ons brein van Dick Swaab en, daar is dat boek weer, Congo van David Van Reybrouck. En als we er toch een wedstrijd van maken: zelfs bij de grote literaire doden was het ook een non-fictiejaar, met het overlijden van Jan Blokker én Rudy Kousbroek.

Natuurlijk is de opkomst van de non-fictie niet nieuw. Al sinds Geert Maks De eeuw van mijn vader vinden goed geschreven non-fictieboeken een breed publiek. Een publiek dat die boeken (van Annejet van der Zijl tot Frank Westerman) niet alleen in het hart sluit om de informatiewaarde ervan, maar vooral omdat ze ook datgene bieden waar de literatuur lang het monopolie op had: esthetische genoegens, ontroering en troost. Zoals de televisiekijker de klassieke soap heeft ingeruild voor de realitysoap.

Door het vele gevoel waarmee ‘de familie Mak’ wordt gelezen is het niet verwonderlijk dat het etiket ‘literaire non-fictie’ is uitgevonden. Dat literair verwijst dan naar het doel waarmee die boeken worden gelezen: niet alleen om de kennis die erin vervat zit, maar ook om het gevoel dat ze opwekken. Het maakt ze nog lang niet literair in de esthetische betekenis van het woord. Kunst is het niet. Daarvoor drijft het gros van de non-fictie te veel op nostalgie en de bevestiging van een wereldbeeld dat we al hadden. Niet dat dat erg is; ‘literaire thrillers’ zijn immers ook niet op die manier literair. Ze worden alleen beter verkocht met dat voorvoegsel. ‘Literair’ is ook een marketingterm, hoezeer critici zich daar ook tegen zullen blijven verzetten.

Vandaar ook dat de nieuwe non-fictieschrijvers bij literaire prijzen meestal buiten de boot vielen. De driejaarlijkse bekroning van een essayist met de P.C. Hooftprijs was meestal reden om iemand te bekronen die óver literatuur schreef (Dresden, Bastet) of een schrijver die ook essays schreef (Schippers, Komrij). Ontegenzeggelijk literaire auteurs als Blokker en Hofland (neem diens legendarische reportage over de Amsterdamse tramlijn 3) werden jarenlang gepasseerd. Tot in 2010. Nog veel groter is de breuk dit jaar bij de jaarlijkse literaire prijzen – of eigenlijk vooral de AKO-prijs, want de Librisprijs heeft zich inmiddels verschanst in een hoek waarin alleen romans nog mogen meetellen.

De toekenning van de AKO-prijs aan David Van Reybrouck is een trendbreuk. Want de AKO-prijs ging al eerder naar non-fictie – Maerlants wereld van Frits van Oostrom en Multatuli van Dik van der Meulen – maar die boeken waren in hun onderwerp in elk geval nog literair. Congo. Een geschiedenis is ‘gewoon’ een geschiedenisboek. Het begint bij de eerste mensen in het tegenwoordige Congo, legt historische verbanden en eindigt in het heden.

Op basis van de synopsis is amper voorstelbaar dat dit boek een bestseller zou worden. Immers: bestsellers worden bij voorkeur geschreven door bekende auteurs, gaan over één persoon, met wie de lezer zich goed kan identificeren en spelen zich ergens in de buurt af. Congo is het tegenovergestelde: een door een amper bekende Vlaming geschreven boek over véél zwarte mensen van een andere cultuur, ver weg in een voormalige kolonie die niet eens van onszelf was maar van of all countries België. Alles aan Congo schreeuwde: Ik Zal Niet Verkocht Worden.

Behalve misschien dan toch de inhoud.

In het begin van het boek – ik heb hier de negentiende druk, zes maanden na verschijnen – beschrijft Van Reybrouck hoe het is om Congo per boot te naderen, hoe het water van de zee al honderden kilometers uit de kust begint te verkleuren door het slib uit de Congo-rivier. ‘Vanaf hier is alles sop.’ Dat bracht eeuwen geleden reizigers op de pakketboot uit hun evenwicht: ze meenden in de buurt van land te komen, maar moesten nog twee dagen varen.

Het figuurlijk meenemen van de lezer is een oude reisboekentruc en dat is dus ook niet waar het me hier om gaat. Dat de verkleuring van het water zo ver de oceaan op gaat, komt door de kracht waarmee de rivier de Congo in de zee uitmondt. Niet glijdend door een brede delta, maar door een smalle opening tussen de rotsen, spuitend. Van Reybrouck heeft het over een sleutelgat.

Daarachter ligt een kolossaal land, ongeveer rond met een soort tuit – als van een klaroen – die naar zee leidt. Het land is, zeker in de ogen van de 21ste-eeuwse Nederlandse lezer, onheilspellend en gevaarlijk, denk aan Conrads Heart of Darkness. Dat onherbergzame gevoel wordt alleen nog maar versterkt door het beeld van de rivier die zijn smerige water de zee in spuit: dat land is een reservoir van iets wat er door één enkel ventiel uitkomt, wat onbeheersbaar is. Daar gaan we naar binnen, tegen de stroom in, door dat sleutelgat.

Al die associaties roept Van Reybrouck op, maar als je terugleest blijkt het dat hij het werkelijk alleen nog maar over geografie heeft gehad, de rest is suggestie. Show, don’t tell. Iets dergelijks doet hij even verder wanneer hij schrijft over Kinshasa en Brazzaville (de hoofdstad van het andere Congo, dat tegenwoordig als Congo- Brazzaville wordt aangeduid), twee hoofdsteden die aan weerszijden van de rivier liggen. Dat is een typisch Bill-Brysonweetje. Eerst denk je: interessant. Dan denk je: zou het eigenlijk waar zijn? En ten slotte besluit je: ik heb in elk geval geen zin om het op te zoeken.

Van Reybrouck gaat verder. Hij schrijft: ‘Aan de overkant ligt zijn tweelingzus Brazzaville, kleiner, frisser, blinkender. De kantoortorens hebben er spiegelglas. Dit is de enige plek ter wereld waar twee hoofdsteden elkaar kunnen aankijken, maar in Brazzaville ziet Kinshasa zijn eigen schamele beeltenis weerspiegeld.’

Het beeld van Brazzaville’s spiegelglas is briljant. Niet alleen wijst het de lezers erop dat de context van Congo allang niet meer die is van de pakketboot en onderontwikkeling, maar bovendien voegt het een element aan het verhaal van Congo en de Congolezen toe: schaamte. Hoe dat precies zit, waar de Congolezen zich voor zouden (moeten) schamen, heeft Van Reybrouck daar in de inleiding nog helemaal niet verteld – er is nog geen hand afgehakt, nog geen dictator opgestaan – maar het zaadje is in de hoofden van ons, lezers, al geplant.

In de eerste hoofdstukken kun je Van Reybrouck nog verwijten dat hij voortbouwt op de vooroordelen die zijn lezers hebben over Congo, als een uit de hand gelopen hobbyproject van koning Leopold II en later als een speelstaat van dictator Mobutu, die het Zaïre noemde. Maar Congo is een boek dat je moet uitlezen: in de slothoofdstukken geeft hij een prachtig beeld van het moderne Afrika dat gedreven door contacten met China een heel andere rol wil spelen dan dat van mondiale zieligheidskampioen.

De AKO-jury had gelijk. Congo is niet alleen ‘literaire non-fictie’ in de marketingbetekenis van het woord, het boek is echt literair. Wat niet betekent dat het perfect is. Op twee verschillende plaatsen doet Van Reybrouck verslag van een gesprek met de stokoude Etienne NKasi, die zegt dat hij een zekere Lutunu nog heeft gekend. De eerste keer zegt Van Reybrouck: ‘Die naam Lutunu zei me wel iets’. De tweede keer: ‘Voor mij was het de eerste keer dat ik die naam hoorde.’ Dat is een beetje gek – in literatuur én in geschiedschrijving.

Begin december trof ik Congo op de afdeling herenkleding van de Bijenkorf, als cadeauboek tussen twee thrillers, twee etiquetteboeken en de brieven van Nelson Mandela, alle overstemd door de zanger Gordon die optrad bij de damesmode. Niet alleen het contrast tussen Congo en de Bijenkorf is groot.

Ook het boek van Van Reybrouck en het in het begin van dit stuk geschetste Nederland van 2010 verschillen als dag en nacht. Als dit het jaar was waarin we ons nog verder naar binnen keerden, hoe kan het dan dat we een boek lazen dat daar in alle opzichten mee in tegenspraak lijkt (behalve dat er onaangename islamieten in de Congoleze geschiedenis voorkomen)? Er zijn drie verklaringen: een zakelijke, een cynische en een derde.

De zakelijke verklaring is dat het hier om verschillende mensen gaat. De 150.000 personen die zich voldoende voor Afrika interesseren om een geschiedenis van Congo te lezen, stemmen niet op Wilders, het CDA of de VVD. En wie op Wilders, het CDA of de VVD stemt, leest geen boeken over Congo.

De cynische verklaring is dat de moderne mens uitstekend naar binnen gekeerd kan leven, en tegelijkertijd een geschiedenis van Congo kan lezen die tussen de overhemden in de Bijenkorf is weggegrist. Alles is immers amusement, het een op wat hoger niveau dan het andere, maar wat ons interesseert is het verhaal, niet de realiteit. Wij zuigen ons vol met non-fictie, maar trekken ons er verder niets van aan. We behandelen de werkelijkheid als fictie.

Ik kies voor de derde verklaring. Tegenover echte literatuur zijn we weerloos. Critici en cultuurpessimisten (nee, dat zijn geen synoniemen) hebben de neiging om te denken dat grote literatuur zich niet verenigt met een groot publiek, maar schrijvers als Rosenboom, Van der Heijden en Grunberg (hé, zijn dat er drie?) worden al jaren door critici én lezers in de armen gesloten. En ook A. Alberts’ De vergaderzaal was een bestseller. Dat Van Reybrouck van een boek over een zo schreeuwend niet-bestsellend onderwerp 150.000 exemplaren kan verkopen, laat zien dat de kracht van literatuur ongebroken is.

Waarbij de landmark voor de literaire geschiedenis is dat de muur tussen de nieuwe non-fictieschrijvers en de literatuur nu niet alleen in verkoopaantallen, maar ook in literaire erkenning geslecht is. David Van Reybrouck zal minder lang op zijn oeuvreprijs hoeven wachten dan H.J.A. Hofland.