Feestelijke explosie op dameshoofd

Dameshoeden worden steeds minder gedragen. Anno 2010 kopen vrouwen liever schoenen. De fantastische ontwerpen van ontwerper Stephen Jones lijken een laatste groet van de hoed.

Mijn grootmoeder had een modezaak, waar ze geen jurken verkocht maar japonnen en geen jassen maar mantels. En bij die mantels, vond ze, hoorden hoeden. Blootshoofds een jas passen – dat kon niet en vooral: dat stond niet. Daarom kocht ze ieder seizoen de nieuwste modellen, maar die verkocht ze steeds minder. Koppig bleef mijn grootmoeder tot midden jaren tachtig hoeden inkopen. En de exemplaren die ze niet verkocht, verbrandde ze stiekem in de kachel.

Dameshoeden worden de afgelopen decennia in Nederland steeds minder gedragen, beaamt Madelief Hohé, conservator mode en kostuumafdeling van het Gemeentemuseum Den Haag. Dat was vroeger wel anders, toen was de hoed juist extreem belangrijk voor wie de mode volgde. Kleding was duur, omdat stof zo kostbaar was, maar met een nieuwe hoed gaf je voor relatief weinig geld een modieuze draai aan je garderobe. Ook hoedenspelden gingen met de mode mee en zelfs je hoed omdraaien kon een nieuwe touch aan je uiterlijk geven.

Dat geheim van hoeden is tegenwoordig verbannen naar de wereld van mode en muziek. Artiesten als Lady Gaga dragen ze, een ontwerper als de Britse Stephen Jones maakt ze. Jones weet van ieder ontwerp een feest te maken. Zijn explosie van fantasie is als een laatste groet van de hoed, die heimwee oproept naar de tijd dat zo’n hoofddeksel nog heel gewoon was.

Honderd jaar geleden kende de dameshoed zijn hoogtepunt. Ze waren toen absurd groot, vertelt Hohé, en er werden complete vogels in verwerkt: van geïmporteerde kleurige paradijsvogels tot simpeler sterns of zilverreigers uit Nederland. Die ‘gruwelmode’, in de woorden van de tegenstanders, was een van de redenen dat de Vogelbescherming werd opgericht in 1899. In de statuten stond dat de leden zich verbonden „geen hoeden voor zich of hun gezin te koopen of te dragen, die met opgezette vogels of gedeelten daarvan versierd zijn”.

Toch was het niet dankzij de Vogelbescherming dat de hoed uit het straatbeeld verdween in de tweede helft van de twintigste eeuw. Hohé noemt de ware redenen: haren hoefden niet meer tegen het weer te worden beschermd, want gebleekt haar staat dankzij Coco Chanel niet meer voor buiten werken, het reizen per auto is fnuikend geweest en tot slot was er de invloed van de jeugdcultuur. Vanaf de jaren zestig werd de hoed gezien als tuttig. Grappig genoeg zie je anno 2010 juist jongeren weer stetson-achtige hoedjes dragen.

Maar de dameshoed – die wordt tegenwoordig nog maar door weinigen aangedurfd. Natuurlijk, er is Prinsjesdag met zijn traditionele hoedenparade. Maar dan is de hoed toch meer een politiek statement, een gek ding. En juist dan zie je dat slechts een enkeling een hoed weet te dragen die echt bij haar past. De hoed, zegt Hohé, is nu vervangen door de schoen: voor relatief weinig geld koop je een nieuw paar. En dat is helemaal niet erg, vindt ze, want het leuke van mode is juist het veranderlijke.

Toch is er een plek waar de hoed nog floreert: de catwalk. Hoofddeksels accentueren het gezicht, en dat is belangrijk voor ontwerpers. Met een hoed wordt een model nog imposanter en fotogenieker. Hohé noemt twee hoedenmakers die voor de huidige couturiers belangrijk zijn: de Ierse Philip Treacy, die werkt voor onder anderen Valentino en Donna Karan; en Stephen Jones, die heeft ontworpen voor Jean Paul Gaultier, Vivienne Westwood, Marc Jacobs en Madonna. Jones maakt hoeden voor zo’n zeven collecties per jaar, naast die van hemzelf. Tegenwoordig werkt hij veel voor de Belg Walter Van Beirendonck, net als hij een vrolijke en eigenwijze ontwerper.

Stephen Jones is een man die van werkelijk alles een hoed weet te maken. Bezoek het Antwerpse Modemuseum, dat momenteel een expositie wijdt aan de 53-jarige kale hoedenmaker, en je ziet het meteen. Jones maakt hoeden van de benen van Barbies, van een schoenzool of van een stapeltje boeken. Hoeden in de vorm van het skelet van een rog of een stilleven van eggs and bacon. Zijn hoeden zijn meestal bijzonder vrolijk, zoals ‘Bang!’, een hoed die lijkt te exploderen, of de kleurige exemplaren van papier-maché in de vorm van een penis, die hij maakte voor de collectie van Van Beirendonck.

Als je de honderden hoofddeksels bekijkt, de één nog fantastischer dan de ander, vraag je je af hoe deze kunstenaar de wereld ziet. Of hij, als hij bijvoorbeeld een potlood ziet, meteen een hoofd ziet, een hoed, of gewoon een potlood? Desgevraagd laat Jones per mail uit Londen weten: „Ik zie een potlood als een manier om met de wereld te communiceren. Ik gebruik er iedere dag een..!! Maar potloden zijn ook geweldige haarspelden!”

Jones ontwerpt schijnbaar simpele hoeden, in de vorm van een lange draad met daaraan een veer, en zichtbaar ingenieuze modellen geïnspireerd door de vorm van DNA. Hoeden die in de verte herinneren aan een nonnenkap, aan een spiegel of een kroonluchter. Voor Christian Dior ontwierp hij een hoed van struisvogelveren met raffia, die niet op, maar voor het hoofd gedragen wordt. Er zijn hoeden die lijken te huilen en hoge hoeden gemaakt van authentieke stof en vetersluitingen van korsetten. Het exemplaar Damn, that feels good! heeft de vorm van een beverdam, met stukjes balsahout en de schachten van struisvogelpluimen. En de allermooiste: een hoed in de vorm van opspattend water dat als een doorzichtige golf om het gezicht stroomt.

Stephen Jones is via een omweg hoedenmaker geworden. Hij studeerde vier jaar damesmode in Londen, solliciteerde vervolgens in Parijs bij onder anderen Sonia Rykiel, maar vond er geen baan. Daarom ging hij aan de slag als vrachtwagenchauffeur in het bedrijf van zijn vader. In zijn vrije tijd maakte hij hoeden, die hij gratis weggaf aan vrienden als Steve Strange (van de newwaveband Visage) en Princess Julia. Begin jaren tachtig waren Jones en zijn hoeden veel te vinden in de hippe Londense nachtclub Blitz. In die tijd ontwierp hij onder andere de hoed met daarop een zool van een Dr. Martens-schoen. Het was een stellingname, die combinatie van een punksymbool met een elitair accessoire.

In 1982 figureerde Jones in een videoclip van de band Culture Club, uiteraard met zelf ontworpen hoed, dit keer in de vorm van een fez. Dat trok de aandacht van Jean Paul Gaultier, die een bestelling bij hem plaatste. Sindsdien groeide Jones uit tot een stijlicoon, die ontwierp voor Dior en voor prinses Diana. Vorig jaar wijdde het Victoria & Albert Museum in Londen een expositie aan zijn werk. Dit jaar vierde hij de dertigste verjaardag van zijn Huis Stephen Jones Millinery.

Behalve voor ontwerpers maakt Jones ook hoeden voor de rich and famous. Voor de Amerikaanse danseres Dita von Teese, voor de Italiaanse stijlicoon Anna Piaggi en voor de befaamde moderedacteur van The International Herald Tribune, Suzy Menkes.

De expositie die nu in Antwerpen aan Stephen Jones is gewijd, bestaat grotendeels uit een privécollectie van hoeden die nooit echt zijn gedragen. De Belg Geert Bruloot begon in de jaren tachtig hoeden aan te schaffen van Stephen Jones, om deze te kunnen verkopen in zijn winkel Louis waar hij ook de kleding verkocht van de toen nog niet zo bekende Antwerpse ontwerpers Ann Demeulemeester en Dries Van Noten. Maar in tegenstelling tot de kleding verkochten de hoeden helemaal niet – België is al net zomin een hoedenland als Nederland. Toch bleef Bruloot ze koppig inkopen. Hij gebruikte ze om zijn etalage te versieren en hij bewaarde ze. Op die manier ontstond de grootste verzameling ‘Stephen Jones’-hoofddeksels ter wereld. Inmiddels is Bruloots collectie in bruikleen van het Antwerpse ModeMuseum.

Zo beleeft de dameshoed anno 2010 zijn hoogtepunt op de catwalk en in het museum, in plaats van op straat. De expositie in Antwerpen geeft een indruk hoe vrolijk het zou zijn als we weer allemaal hoeden zouden dragen. De hoedenmaker zelf ziet het overigens niet zo somber in: „Ik denk dat, terwijl sommige vrouwen ter wereld minder hoeden dragen, anderen dat juist meer doen”, laat Jones vanuit Londen weten. Vrouwen die geen hoed dragen begrijpt hij sowieso niet. „Waarom zou je jezelf het genoegen ontnemen van je op te sieren?” Die uitspraak sluit naadloos aan bij Jones’ filosofie dat hij met een hoed niet de wereld wil veranderen, maar deze wel een beetje mooier wil maken.

‘Stephen Jones & het accent op mode.’ Tot en met 13 febr. in het ModeMuseum in Antwerpen. Inl: www.momu.be.Links de cover van de catalogus, waaruit alle foto’s, met uitzondering van de foto linksboven, afkomstig zijn.