Een profeet met penseel

Wat Pieter Bruegel te maken heeft met Márquez en Tarkovski, of met Cézanne en Hitler, wordt Pieter Steinz duidelijk bij het lezen van een ‘beeldverhaal’ van een Vlaamse kunstenaar met een ultrabrede visie.

Harold Van de Perre: Bruegel. Ziener voor alle tijden. Davidsfonds Uitgeverij, 2007. 242 blz. Geb. met zwartwit- en kleurenillustraties. Van €49,90 voor € 19,90

‘Pier den Drol’ werd hij genoemd door de 17de- eeuwse biograaf Carel van Mander. Niet omdat er in zijn schilderijen regelmatig kakkende mensen figureren, maar omdat er in bijna al zijn werk wel wat grappigs (‘drolligs’) te zien is. Niet verwonderlijk, want Pieter Bruegel – bijgenaamd de Oudere, omdat hij de stamvader was van een dynastie van schilders van het Vlaamse dorpsleven – hield van het boerenleven: van jaarmarkten en carnavalsoptochten, van ijspret en oogsttaferelen. Wie afgaat op zijn schilderijen, ziet in hem een grappende man van het volk, een 16de-eeuwse Paul de Leeuw, met een briljante penseelvoering.

Omdat er zo weinig bekend is over Bruegel (ca. 1527-1569, werkend in Antwerpen en Brussel), hebben de kunsthistorici vrijelijk kunnen interpreteren. Hij werd achtereenvolgens gezien als een tweede Jeroen Bosch, een primitieve boerenschilder, een pionier van de landschapsschilderkunst, een satanisch genie, een ‘humanist met een libertijnse levensbeschouwing’, een typische Vlaming en zelfs een 20ste-eeuwer in hart en nieren. En dat terwijl er maar 45 schilderijen van hem zijn overgeleverd, twintig meer dan van Bosch, acht meer dan van Vermeer .

Wat kan een kunstbeschouwer nog toevoegen aan de stapel Bruegelboeken? vraagt de Belgische kunstenaar Harold Van de Perre (73) zich af in zijn voorwoord. Een eigenzinnige monografie, zo blijkt uit het bliksemsnel in de ramsj gedumpte Bruegel – Ziener voor alle tijden uit 2007. Van de Perre noemt zijn boek een beeldverhaal; hij heeft het ‘opgevat als een beeldend kunstwerk’, wat wil zeggen dat hij zoekt naar details waarmee hij ‘een verrassend aspect van de altijd nieuwe Bruegel wil brengen.’ Dat klinkt misschien zweverig, maar het komt erop neer dat hij zich niet stoort aan ‘de grenzen van ruimte en tijd’ en het werk van Bruegel vergelijkt met dat van Rubens en Cézanne of met bijvoorbeeld moderne oorlogsfotografie. Het levert een fraai geïllustreerd boek op waarin de lezer van de ene verrassing in de andere valt.

Van de Perre is dol op associaties. Als hij De kruisdraging (1564) ziet, denkt hij aan het brede canvas van een roman van Dostojevski of een film van Tarkovski; als hij het mythologisch geïnspireerde schilderij De strijd tussen carnaval en vasten (1559) bekijkt, voelt hij zich verplaatst naar het Macondo van Gabriel García Márquez; in De triomf van de dood (1562) ziet hij een profetische verbeelding van de Holocaust, en in een landschap of zelfs een afbeelding van de Toren van Babel ziet hij de Grand Canyon. Hij reproduceert bovendien de foto’s en fragmenten om het te illustreren.

Want dat is de kracht van Van de Perres aanpak; hij heeft een levenlang goed naar Bruegel gekeken en kan de lezer zelfs van de meest vergezochte parallellen overtuigen door de beelden heel precies naast elkaar te zetten. Je kijkt met hem mee. Hé, dat stadsgezicht in een hoekje van De kruisdraging heeft in abstrahering en kleurgebruik inderdaad veel weg van een van Cézannes Mont Saint Victoire-schilderijen. Kijk, dat detail van de Toren van Babel moet wel geïnspireerd zijn door de ruïnes van het Colosseum (die Bruegel tijdens zijn Italiaanse reis zag). Ongelooflijk, de sperenparade op De dood van Saul (1562) is een duidelijke voorafschaduwing van de paraderende soldaten in slagorde voor Hitler. En nee, het is niet te loochenen dat de holle ogen van een Palestijnse vader die zijn zoontje tegen geweervuur probeert te beschermen dezelfde zijn als die van Bruegels verpersoonlijking van de radeloosheid in De parabel van de blinden (1568). Bij wijze van toegift heeft Van de Perre vier hoogtepunten uit de kunstgeschiedenis – een paard uit de grotten van Lascaux, een Chinees berglandschap, een 20ste-eeuws Vlaams dorpsgezicht en een abstracte compositie – gemonteerd in het schilderij De jagers in de sneeuw (1565). Je moet twee keer kijken om te zien dat het een collage betreft.

Van de Perre is zelf kunstenaar, en dus kan hij lyrisch worden over het stilistisch meesterschap van Bruegel. Hoe hij braakliggende terreinen in zijn schilderijen ‘opvulde’ met slimme puntjes, komma’s en streepjes; hoe hij het licht op verschillende manieren op de sneeuw in zijn dorpsgezichten liet weerkaatsen; hoe hij met een dun laagje temperaverf het geloogde blotebillengezicht van een blinde afbeeldde; hoe hij toverde met felrood, vuilblauw en ‘schallend geel’. Bruegels ‘penseelschriftuur’ doet zelfs aan die van de klassieke Chinese kalligrafen denken, zo argumenteert Van de Perre met behulp van een vogel op een tak (een detail uit De volkstelling te Betlehem, 1566) en een kalligrafische schildering van Chu Ta uit de 17de eeuw. Dat is waarschijnlijk wat wordt bedoeld met het ‘gesprek’ onder kunstenaars door de eeuwen heen waarover Van de Perre schrijft in zijn voorwoord.

Voordat Van de Perre Bruegel te lijf gaat in de drie delen van zijn boek (hij wil zijn favoriet kunsthistorisch, plastisch en poëtisch duiden), zet hij op een rijtje wat er allemaal voor tegenstrijdigs over de schilder is beweerd: ‘is Bruegel een moralist of fatalist? Een optimist of cynicus? Een spotvogel of wijsgeer? Een boer of stedeling? Een folklorist of geleerde? Een regionalist of universalist? Een realist of fantast? Een vitalist of maniërist? Een humanist of misantroop? Een libertijn of sociaal bewogen man? Een politiek dissident of conformist? Een revolutionair of afstandelijke waarnemer? Een katholiek of geus? Een theïst of atheïst?’

Wie Ziener voor alle tijden uit heeft gelezen, weet dat dit retorische vragen zijn. Pieter Bruegel, het filmisch genie en de oervader van het Vlaams expressionisme, is het allemaal tegelijk.