Een lofzang op de grote rivieren

Wat zou onze literatuur zijn, onze welvaart, ons nu wat flakkerend maar nog altijd kosmopolitisme, als we niet in deze moerasdelta waren geboren? P.C. Hooftprijswinnaar H.J.A.Hofland bespreekt de film Ode aan de rivier, een special van Andere Tijden (VPRO, NTR).

Aan de Oosterkade in Rotterdam lagen vroeger de Lekboten, raderboten waarmee pleziertochten over de grote rivieren werden gehouden. Niet ver van de plaats van vertrek kwam je langs Kralingseveer, een dorp dat beroemd was dankzij het Zalmhuis, een restaurant dat gedeeltelijk op palen in de modderige oever van de rivier stond. Daar kon je kiezen: zalm, gekookt, gestoomd, gebakken, gebraden, nog veel meer. Zalm was in die buurten een volksvoedsel.

Rijke mensen hadden toen, voor de oorlog, dienstmeisjes die het huis schoon hielden en de bedden opmaakten. Sommige meisjes stelden hun werkgever de voorwaarde dat ze niet meer dan twee keer in de week zalm hoefden te eten. Verder stroomopwaarts kwam je langs Moordrecht met de stompe toren. Die staat er nog. Uit de trein te zien. Al einde jaren twintig begonnen onze grote rivieren te vervuilen. De zalm werd gedecimeerd en daarmee bevorderd tot rijkeluiseten.

Vanavond om negen uur zendt de VPRO een film uit, Ode aan de rivier, waarin we een uur lang het Nederlandse landschap en het stadsbeeld van onze grote rivieren zien. Het is soms een rauwe, vaak een poëtische vaderlandse geschiedenis. Oudere kijkers zullen zich menigmaal teruggebracht voelen tot hun jeugd en voor de jongere lijkt het me behalve boeiend ook vooral leerzaam. Onze nationale wijsheid wil dat we ons bestaan te danken hebben aan onze succesrijke strijd tegen het water. Maar er is veel meer. Wat zou onze literatuur zijn, onze welvaart, ons nu wat flakkerend maar nog altijd aanwezig kosmopolitisme, als we niet in deze moerasdelta waren geboren?

De film, een kundige montage van historisch materiaal, begint in 1922 als twee mannen bij Lobith aan boord van een raderboot gaan om in het kielzog van de Batavieren de Rijn af te zakken. Tot slot horen we door de eigentijdse radio een omroeper de waterstanden melden. Grave beneden de sluis. Gebeurt dat nog? Mij staat het in het geheugen gegrift. Ik ben een keer op bedevaart naar Grave gegaan om te zien hoe het er daar beneden de sluis uitziet. Dan, na 1922 komen de overstromingen in Limburg, en de herhaling daarvan in 1993 en 1995. De rivieren worden ‘genormaliseerd’, dat wil zeggen scherpe bochten worden met kanalen afgesneden, en gelukkig, Rotterdam komt uitvoerig aan bod. De oude Maasstad, voor het bombardement, en de opbloei na de oorlog. Er wordt een schip te water gelaten; de containers gaan het vrachtvervoer beheersen.

Voor mij ligt de breuk in 1945, als de film van zwart-wit op kleur overgaat. De aard van het beeld zelf, ongeacht van wat er vertoond wordt, is deel van de geschiedenis, zoals ook de stem van degene die de tekst spreekt. Zwart-wit kan vlijmscherp zijn, niets verhullend, maar het heeft de visuele smaak van voor de oorlog. Dan, na de oorlog, komt de kleur. Eerst nog primitief maar onmiskenbaar eigentijds. Het vooroorlogse commentaar wordt onberispelijk gesproken, met een vleugje deftigheid. Op deze manier spreekt geen mens meer. Ook in dit opzicht is Ode aan de rivier leerzaam.

In de eerste fragmenten van na 1945 komen een paar havenarbeiders aan het woord. Ze hebben de Hongerwinter achter de rug. Ze lachen. Hun gebit is niet onaangetast gebleven. Zo was het toen. Nu onthullend en af en toe ook ontroerend.

Andere Tijden Special: Ode aan de rivier, vanavond, Ned. 2, 21.00-22.00 uur.