Doe nog maar een liedje over jongens

De iPod-generatie luistert individualistisch naar muziek. Stromingen zijn er niet meer. Popmuziek kan zo geen dienst meer doen als barometer voor de onvrede van de jeugd.

In de jaren negentig was er een muzikale stroming genaamd grunge. Grunge viel op door de muziek (hard en slepend), door de mode (gescheurde spijkerbroeken, geblokte hemden), en de zelfmoord van Nirvana-zanger Kurt Cobain. Grunge gaf ook aanleiding tot maatschappelijke discussie. Want uit de muziek en teksten van bands als Pearl Jam, Soundgarden en Nirvana sprak een gevoel van vervreemding van een generatie jongeren, waarover tot dan toe weinig bekend was. Popmuziek had de functie van wichelroede, waarmee verborgen onderstromen konden worden blootgelegd.

Wel vaker onthulde muziek niet alleen individuele gevoelens, maar ook maatschappelijke trends. Dat gold in de jaren zeventig voor punk, in de jaren tachtig voor doemmuziek, in de jaren negentig voor house en grunge. Uit die stromingen bleek achtereenvolgens: de geest van verzet in de jaren zeventig; onbehagen in de jaren tachtig; respectievelijk hedonisme en ontheemding in de jaren negentig.

Inmiddels zijn we bijna twintig jaar verder en is het de vraag welke rol de popmuziek nu vervult. Zijn er nog altijd stromingen die maatschappelijke thema’s aantonen? Is het muzikale draagvlak tegenwoordig nog wel eens breder dan één artiest of band?

In vogelvlucht bekeken hebben de afgelopen jaren trends opgeleverd als ‘new rave’, ‘chill wave’ en ‘dance punk’, maar dit waren geen bonafide stromingen, eerder rimpels aan de oppervlakte – dat de namen teruggrijpen op eerdere bewegingen is al een veeg teken. De dancestijl dubstep is een van de laatste vernieuwende stromingen, maar heeft zijn oorsprong nog in de vorige eeuw.

De opvallendste eenentwintigste-eeuwse muzikale ontwikkeling is de populariteit van ‘new folk’, gespeeld door bands als Fleet Foxes, Iron & Wine en Bon Iver in Amerika; Mumford & Sons, Laura Marling en Noah & The Whale in Engeland; Awkward I en El Pino & The Volunteers in Nederland. De muziek kenmerkt zich door veelstemmige samenzang, stampende laarzen die het ritme aangeven, en een nadruk op verhalende teksten.

Deze groepen – denk aan baarden, banjo’s en te korte, corduroy broeken – geven hiermee een eigen interpretatie van het genre dat van oudsher waarden uitdraagt als saamhorigheid en gemeenschappelijkheid.

Opvallend vaak – meer dan in de jaren negentig of tachtig van de vorige eeuw, bijvoorbeeld – kiezen deze muzikanten voor akoestische instrumenten. Die keuze is zowel esthetisch als principieel. De Britse Laura Marling zei onlangs: „Ik gebruik in mijn liedjes graag een viool, omdat de viool in elke noot van zijn geschiedenis getuigt.” Met de keuze voor een bepaald instrument wordt een statement gemaakt: wij kiezen voor analoog, wij houden vast aan oude waarden, wij willen laten horen dat we het resultaat zijn van een lange keten aan ontwikkelingen. Het instrument als symbool voor een gevoel voor traditie.

Een muzikale stroming moet aan een aantal kenmerken voldoen: een gemeenschappelijke stijl, een gezamenlijke ideologie – hoe minimaal ook (‘No Future’ in punk, ‘Let’s party!’ in house), een geografische samenhang (Engeland, Brooklyn, Zwolle), en gedeelde uiterlijke kenmerken. Maar al maakt corduroy tegenwoordig opgang in het modebeeld, dat maakt de hedendaagse akoestische folkstijl nog geen stroming. Daarvoor is de stijl te divers (variërend van puristisch tot eclectisch), geografisch te verspreid, en te weinig uitgesproken in haar ideologie.

Want gedeelde nostalgie is geen ideologie; hier spreekt een hang naar het verleden, ontstaan uit een afkeer van de moderne tijd en, vooral, de digitale revolutie. Dat blijkt bijvoorbeeld uit de liedjes van de groep die volgens popcritici de ‘Plaat van het Jaar’ maakte (vastgesteld door muziekblad OOR): het Canadese Arcade Fire en hun cd The Suburbs. Op deze sfeervolle en ingenieuze plaat staat door folk geïnspireerde muziek, met af en toe een synthesizer of elektrische gitaar. In het nummer ‘We Used To Wait’, mijmert zanger Win Butler over de tijd dat we voor een brief nog moesten wachten op de postbode (‘I used to write, I used to write letters / I used to sign my name (..) Now our lives are changing fast / Hope that something pure can last’).

Deze nostalgietrend krijgt op dit moment nauwelijks weerwoord uit de ‘alternatieve’ rockmuziek. Het vroeger zo vruchtbare Engeland laat al jaren verstek gaan – een laatste opleving bood de scene rond The Libertines, Art Brut en The Others en hun trend van guerrilla-optredens in parkeergarages of metro’s, die al snel aan zijn eigen anarchie ten onder ging. Alternatieve rock bepaalt op dit moment nog slechts tien procent van de hitparade, de Engelse muziekwereld wordt beheerst door popliedjes en r&b; van oudsher niet de genres waar uitgesproken ideeën in voorkomen.

De Brit Nicky Wire, bassist/songschrijver van de band Manic Street Preachers, die al achttien jaar de socialistische revolutie predikt en nummers schrijft met titels als ‘If You Tolerate This Your Children Will Be Next’, en ‘The Masses Against The Classes’, wond zich er in een interview over op: „De wereld maakt moeilijke tijden door, en wat doet de huidige generatie muzikanten? Die wentelt zich in onbenulligheid. Bands moeten zich bewust zijn van hun omgeving en hun historische context, en daarop reflecteren. Er is genoeg muziek, maar inhoudelijk gaat ze nergens over.”

Als er nu geen muzikale stromingen zijn die op de tijd reflecteren, zou het een terrein van individuele zangers of zangeressen kunnen zijn. Maar hoewel nogal wat muzikanten zich buiten hun muziek maatschappelijk inzetten, hebben ze het in de liedjes uitsluitend over hun relaties, familie en persoonlijke omstandigheden. Zo kondigde de Australische Julia Stone, van het hippieduo Angus & Julia Stone, onlangs op het toneel van de Melkweg, Amsterdam, een van haar liedjes aan met de woorden: ‘And here’s another song about boys’.

Het opvallende is dat juist de muzikanten die voortborduren op de destijds opruiende en maatschappijkritische folkstijl (zoals Woody Guthrie en zijn ‘This Land Is Your Land’, en ‘We Shall Overcome’ van Pete Seeger), zich van commentaar onthouden. Dat blijkt uitdrukkelijk bij Fleet Foxes, een van de uitzonderlijkste groepen van de afgelopen tijd, die in hun harmoniërende zangstemmen en soepel stromende akoestische instrumentaties teruggrijpen op het verleden. Ze vertelden onlangs aan het tijdschrijft Mojo over hun volgend jaar te verschijnen nieuwe cd. Muzikaal baken hierbij is het werk van Graham Nash (van de jarenzeventigband Crosby, Stills, Nash & Young), en vooral Nash’ solo-cd Songs For Beginners (1971) waarop Nash kritische nummers zong over de Vietnamoorlog en politiegeweld. Op de vraag waar hun nieuwe liedjes over gaan, zei Fleet Foxes-zanger Robin Pecknold: „Over relaties en persoonlijke dingen. Ik heb me verdiept in de songs van Graham Nash. Hij stond bekend om zijn protestnummers. Dat soort nummers heb je nu eigenlijk niet meer dus het leek me grappig om een anti-protestlied te maken, in de stijl van Nash, maar vanuit mijn eigen perspectief. Dat werd ‘Helplessness Blues’.”

Hieruit blijkt: voor de hedendaagse zanger is het protestlied geen optie meer. In het nog te verschijnen liedje zingt Pecknold: ‘What good is it to sing helplessness blues?’ Het protestlied is een fossiel geworden.

Er is op dit moment sprake van een ambivalente situatie: er is meer muziek dan ooit – popmuziek speelt een rol in games, reclames, film, en is beschikbaar via telefoon, computer of mp3-speler – maar er is geen cohesie. Het is de digitale revolutie van de afgelopen tien jaar die deze versnippering heeft veroorzaakt. Door internet is een overweldigende hoeveelheid muziek permanent voor iedereen toegankelijk: iedere consument kan zijn muzikale heil vinden op het web, elke muzikant zet zijn liedjes in de digitale etalage. Hierbij wordt de ‘underground’-fase tegenwoordig overgeslagen; bands zien zich door gretige managers uit de kinderkamer gerukt; het publiek is begerig naar iedere nieuwe kandidaat. Daardoor kunnen stromingen tegenwoordig niet meer tot wasdom komen. Er is geen gelegenheid om eensgezind iets op te bouwen of agenda’s gelijk te leggen, als de openbaarheid lonkt.

Intussen is de nadruk op (digitale) techniek zo groot dat het technische procedé de rol van inhoud lijkt te hebben verdrongen. Het wel of niet digitaal opnemen, de benodigde software, de mogelijkheden van de computer – dat zijn de onderwerpen waar muzikanten tegenwoordig graag over praten. Voor veel muzikanten betekent musiceren nu een langdurig gepuzzel op het computerscherm, waar eindeloos met fragmenten kan worden geschoven en met effecten gemanipuleerd. Het is de techniek die muziek zijn naam geeft: een paar jaar geleden was er een hausse ‘laptopmuzikanten’: softwaremagiërs die muziek maakten op een notebook. Vorige week presenteerde de Britse band Gorillaz een nieuwe cd, die in verloren uurtjes tijdens tournees, in elkaar was gesleuteld – op een iPad, lieten ze niet na te vermelden. Het kan niet lang duren voordat de eerste cd op een smartphone gemaakt wordt.

Techniek is ook verantwoordelijk voor het andere fenomeen dat de de popmuziek tegenwoordig beheerst: de suprematie van sterren als Kanye West en Lady Gaga. Kanye West bereikte op zijn vorige maand verschenen, enthousiast ontvangen, vijfde cd My Beautiful Dark Twisted Fantasy een nieuw niveau van muzikaal machtsvertoon. In de nummers van deze cd wordt de luisteraar bedolven onder Gregoriaanse koorzang, ingenieuze sampleconstructies, tegen elkaar in zwiepende beats, een breed palet aan zangstemmen. Het resultaat is groots maar benauwend. Alsof een olifant bovenop je gaat zitten.

Ook Lady Gaga bouwt haar carrière op het ontkennen van de menselijke maat, per cd worden de creaties grootschaliger en luisterrijker. Haar bereik groeit nog altijd, ook letterlijk: schoenen krijgen hogere hakken, de kapsels gaan richting firmament. Illustratief is het filmpje van Lady Gaga die optrad voor de Britse koningin: gezeten op een metershoge pianokruk, achter een vleugel op metershoge poten – als een wedstrijd in verhevenheid.

Om volmaakte zuiverheid in de zangstemmen te bereiken, gebruiken deze artiesten autotune-software, ook populair bij collega’s Christina Aguilera, Rihanna en Beyoncé. Zelfs tijdens het dansen en springen bij optredens is niemand ooit nog buiten adem, of mist een noot.

Zo spelen in de hedendaagse popmuziek twee elkaar complementerende trends: die van de menselijke maat, en die van bovenmenselijkheid. Kleinschaligheid tegenover gargantueske megastatus; akoestische banjo’s en stampende laarzen tegenover digitale perfectiedrang; mens tegenover machine.

Maar tot welke school de muzikant ook behoort, hij brandt niet zijn vingers aan de eigentijdse werkelijkheid. Zolang die situatie bestaat – dat folkmuzikanten met hun rug naar het heden staan; Kanye West en Lady Gaga er met zevenmijlslaarzen doorheen stappen; de buitenwereld geen onderwerp van de liedjes is; een groot deel van de muzikanten zich blindstaart op technische vondsten – komt de popmuziek niet aan wichelen toe.