De dichter dicht, ook zonder computer

Een Nederlandse serie voor poëzie op podcast maakt kans op een Europese prijs.

De vraag is wel: Internet verandert zo ongeveer alles, waarom dan niet de poëzie?

still uit het gedicht Ik niet meer van Tonnus Oosterhoff
still uit het gedicht Ik niet meer van Tonnus Oosterhoff

„Wat denk jij, is dit een typisch vrouwengedicht?” „Omdat die tikkende klok wordt genoemd?” „Ja, dat zou heel goed kunnen.” Zie hier een voorbeeld van een avond in Perdu, het Amsterdamse centrum voor de poëzie naar aanleiding van een gedicht van Hélène Gelèns. Enkele dichters praten over een gedicht, zoals ze bij het radioprogramma Diskotabel over klassieke opnames praten. Bij Perdu zitten twintig mensen op bankjes , er wordt nu en dan geschuifeld maar meestal eerbiedig geluisterd.

Hoe krijg je vierhonderd mensen in de zaal? Niet natuurlijk, en dat hoeft ook niet: poëzie blijft een tijdverdrijf voor weinigen, luisteren naar en praten over poëzie voor nog minder. Behalve als je de boel op internet zet, zo ontdekten Joost Baars en Matthijs Ponte. Met hun podcast-serie ‘VersSpreken’ bereiken ze elke keer een paar honderd luisteraars die willen horen wat uiteenlopende dichters als Toon Tellegen, Rodaan Al Galidi en Hélène Gelèns over hun werk te vertellen hebben. Hun idee bleek zo succesvol, dat ze nu een nominatie op zak hebben voor de European Podcast Award in de categorie ‘non-profit’.

Het stemt optimistisch over de mogelijkheden van poëzie en internet. Voor een radioprogramma is vierhonderd luisteraars natuurlijk veel te weinig; zelfs voor internetradio is het aan de magere kant. Maar veredelde hobbyisten met een mp3-recorder en een internetaansluiting weten de poëziegemeenschap te vinden op een ouderwetse, ironieloze, puur van enthousiasme getuigende manier.

Een revolutie in de poëzie? Een nieuw gebruik van internet?

Nou nee. Wat vooral opvalt, is dat een dergelijk initiatief helemaal niets verandert aan de manier waarop poëzie wordt gelezen en verspreid. Niet al die vierhonderd mensen komen naar Perdu, maar er zijn vast ook de mensen bij die zich jaarlijks in Vredenburg verzamelen – en de volgende keer praten ze weer over de dichtkunst met hun geletterde vrienden in de kroeg. Net als tien jaar geleden. Net als honderd jaar geleden.

Wat hebben de computer en internet nu eigenlijk veranderd aan de poëzie? Het papieren tijdschrift zou haar functie als kweekvijver hebben verloren, roepen cultuurpessimisten wel eens, om dan vervolgens heel modern te zeggen dat die functie is overgenomen door internet. Maar niets is minder waar: internet is, voor een vijver, nogal groot. Iedere sukkel met een computer kan zijn werk aan de wereld presenteren, geen kwalitatieve haan die ernaar kraait.

Natuurlijk zijn er ook dichters op het web aanwezig, maar slechts zelden met werk dat niet ooit voor bundeling is bedoeld, dus dat verandert allemaal weinig aan de manier waarop poëzie geschreven wordt. Eigenlijk is dat nogal merkwaardig. Internet verandert zo ongeveer alles, dus waarom niet de poëzie?

De vroegste experimenten met computers en internet, leken op pogingen om met de verplaatsing van zandkorrels een aardverschuiving in gang te zetten. Zo onderzocht Gerrit Krol in 1971 de mogelijkheid om door middel van de computer de auteur geheel uit te schakelen. APPI heette het: ‘automatic poetry by pointed information’. De crux was natuurlijk die pointed information: er kwam niets uit die computer wat er niet door Gerrit Krol zelf was ingestopt. Zo voerde hij de beschrijving van een dame in badpak in – zijn programma ging ermee aan de haal en produceerde dit:

als ze dan niet zei want

dat zo haar lippen had geverfd en

toch had je haar nog niet van de andere kant

bekeken.

ze zou soms huilen zodat

het kon lijken dat

ze zal steunen op haar hand

Geen typisch Krol-gedicht en ook bepaald geen gedicht dat de poëzie op zijn kop zal zetten. En eigenlijk is de computer hier weinig anders dan de toevalsgenerator waarmee John Cage werkte, of de hand van Tristan Tzara die in willekeurige volgorde woorden uit de hoge hoed plukte.

Veelbelovender zijn de gedichten van Tonnus Oosterhoff op de cd-rom: Wij zagen ons in een kleine groep mensen veranderen. Even los van het feit dat de cd-rom als medium nu al totaal verouderd is: Oosterhoff had dingen gemaakt waarvoor de bijzondere eigenschappen van de computer als medium werd gebruikt. Je zag regels geschreven worden, losse woorden oplichten, weer verdwijnen, terugkeren. Oosterhoff had een ontstaansproces gesuggereerd (of een manier van lezen voorgesteld) en vooral, anders dan bij Krol, leverde zijn methode prachtig werk op.

Maar toch: al waren deze gedichten dan geprogrammeerd in plaats van geschreven, en al kon je ze niet normaal lezen, als het filmpjes waren geweest, was het effect niet anders geweest. Je kon het proces niet versnellen, vertragen of anderszins beïnvloeden en de elektronische gedichten van Oosterhoff zijn opvallend traag. Dat was blijkbaar toch de instructie van de dichter/programmeur: goed lezen, s.v.p.

Ruben van Gogh maakte voor Klein Oera Linda teksten in verschillende kleuren en verschillende richtingen over en vaak dwars door elkaar heen. Daardoor zijn veel gedichten lastig leesbaar, je weet niet waar je moet kijken: dat zou ik op het scherm ook wel eens willen zien. Maar het is blijkbaar niet nodig: experimenten met tekstsoorten kunnen ook op papier nog steeds uitgevoerd worden.

Wat is het unieke van internet? Het feit dat iedereen er altijd terecht kan, en het gegeven dat je als lezer kunt ‘terugschrijven’. Op internet vallen barrières weg: iedereen kan zijn gedichten publiceren en iedereen kan er ook nog over praten. Vanuit dat perspectief is zo’n podcast van VersSpreken eigenlijk vrij ouderwets: ook die maakt gebruik van het eenrichtingsverkeer. Wanneer wordt de poëzie nu echt interactief? En daar is natuurlijk inherent de vraag aan gekoppeld: kán poëzie wel interactief zijn?

Experimenten als die van Gerrit Krol doen denken aan het werk van Jean Tinguely: die maakte schitterende machines die kunst konden produceren. De resultaten van dat werk zijn meestal niet om aan te zien: het soort werk dat weinig kunstzinnige kinderen met een stift ook maken. Het ging Tinguely natuurlijk ook niet om de resultaten, maar om de mogelijkheid een machine kunst te laten maken.

Er zijn wel dichters actief die werkelijk hun best doen om het medium te veranderen. In Canada bijvoorbeeld. James Andrews maakt daar teksten die het midden houden tussen beeldende kunst en poëzie. Ook in Brazilië zijn dichters/programmeurs bezig dingen te maken die op papier niet mogelijk zijn. Maar is het poëzie of conceptuele kunst?

De ‘flarf’ komt misschien nog het dichtst bij echte internetpoëzie: het zijn gedichten waarin zoekresultaten van internet verwerkt zijn. Het zijn vaak grappige gedichten die zich kenmerken door grote registerwisselingen – omdat ze bestaan uit gevonden teksten. Of aan de experimenten van Raymond Queneau, die ook al enige tijd niet meer tot de avant-garde behoort. Ook hier geldt: er komt niets in het gedicht terecht dat er niet (indirect) door een dichter is ingestopt. En de gedichten staan vol met readymades: een uitvinding van Marcel Duchamp die over een paar jaar ook alweer een eeuw bestaat.

Internet is de dood aan de wortel van de krant, wordt er geroepen. Het boek zoals we het kennen, dreigt te verdwijnen. De iPad gaat het hele lezen op de schop gooien. Maar een dichter is nog steeds iemand die een idee omzet in een tekst. Vanuit dat perspectief is het terecht dat een podcast waarin weinig meer gebeurt dan praten over wat al geschreven is, op de nominatie staat voor een prijs. De poëzie zelf is onverwoestbaar.