Snel arresteren is ook in andere landen strategie

Overal in Europa zijn sinds 9/11 omstreden anti-terreurmaatregelen ingevoerd. Groot-Brittannië, Frankrijk en Spanje lopen voorop.

„Moet je wachten tot de vis groot genoeg is?”, werpt de Vlaamse criminoloog Brice De Ruyver op. „Je vergeeft het jezelf nooit als je te laat komt. Daarom zal iedere terreurbestrijder, in welk land ook, snel willen ingrijpen. Ook al loop je daarmee het risico dat niet het ganse netwerk in kaart kan worden gebracht en dat ook mensen worden opgepakt die geen terroristen zijn, of dat nog niet zijn.”

Snel arresteren bij ook maar het kleinste vermoeden van terrorisme, is zijn devies. „Dat is vrijwel overal in Europa een bewuste strategie geworden: zo snel mogelijk verstoren”, zegt De Ruyver, die acht jaar lang de veiligheidsadviseur was van voormalig premier Verhofstadt. „We gaan niet voor de grote slag, voor een poging om heel de organisatie te ontmantelen.” Volgens hem is het belangrijker het proces van radicalisering te hinderen. „Ook al kan zo’n snelle ingreep betekenen dat je alleen wat kleine garnalen vangt.”

Met name in het Verenigd Koninkrijk en in mindere mate in Frankrijk en Spanje wordt de strategie gevolgd van snel oppakken, ook al betekent het dat mensen wegens onvoldoende bewijs soms snel weer op straat staan.

Juridisch zijn deze arrestaties mogelijk geworden omdat vrijwel alle landen na de aanslagen van 11 september 2001 hun wetten tegen terreur hebben aangescherpt en politie en justitie meer bevoegdheden hebben gegeven. Volgens een overzicht van de Europese Commissie hadden vóór de aanslag op het World Trade Center slechts zeven van de toenmalige vijftien EU-lidstaten specifieke wetten en regels tegen terrorisme. Nu hebben alle 27 lidstaten die.

Het meest verstrekkend zijn waarschijnlijk de Britse control orders, ingevoerd in 2005. Die maken het mogelijk zonder formele aanklacht de vrijheid van een persoon sterk in te perken. Onder de orders kan het iemand worden verboden een computer te gebruiken, bepaalde mensen te ontmoeten, of ’s avonds de deur uit te gaan. Het is een omstreden maatregel, volgens de regering nodig omdat er een juridisch grijs gebied bestaat waarin er een concrete verdenking tegen iemand bestaat, maar de reden daarvoor niet openbaar gemaakt kan worden. Begin dit jaar gold voor twaalf mensen een dergelijke control order.

Veel Europese landen hebben de juridische speelruimte vergroot door lidmaatschap van een terroristische organisatie strafbaar te stellen of ruimer te interpreteren. In Spanje was dat vorig jaar de rechtsgrond om tien Pakistanen en een Indiër te veroordelen. Al was het openbare bewijs dat zij plannen hadden voor een aanslag op de metro van Barcelona dun.

In Duitsland is de wetsbepaling hierover, paragraaf 129a van het Wetboek van Strafrecht, controversieel. Een critica als Ulla Jelpke, Bondsdaglid voor Die Linke, vindt dat veel te veel onschuldigen worden aangehouden. Overigens blijft in Duitsland, met zijn uitgesproken juridische cultuur, ook bij de terreurbestrijding de nadruk sterk liggen op de rechten van het individu. Zo heeft het negen jaar geduurd voordat de ‘terreurmoskee’ in Hamburg kon worden gesloten. Hier deed Mohammed Atta, een van de daders van 9/11, mee aan religieus getinte discussiebijeenkomsten. De Syrisch-Duitse imam van de moskee, in Spanje verdacht van financiële en logistieke steun voor terreur, loopt nog vrij rond.

In Europese richtlijnen ligt het accent op uitwisseling van informatie. „België is bijvoorbeeld maar een schakeltje in het grotere geheel van terroristische netwerken”, zegt De Ruyver. „Wij zijn waard wat onze internationale samenwerking waard is.” Betrokkenen wijzen erop dat op dit punt nog veel moet verbeteren. Zo is Europol, opgezet als databank voor grensoverschrijdende criminaliteit, afhankelijk van de informatie die lidstaten aandragen. En daar blijkt dat sommige inlichtingendiensten toch nog graag informatie voor zichzelf houden.