Lees hier het hele interview met Balkenende

Oud-premier Balkenende heeft voor het eerst sinds hij uit de politiek is gestapt een interview gegeven. Het verscheen in het CDA-periodiek Christen Democratische Verkenningen. Balkenende haalt in het stuk uit naar de media en is tevreden over zijn regeerstijl. Reacties staan hier, de volledige tekst staat hieronder.

‘Er is veel gebeurd om Nederland toekomstbestendiger te maken’

In gesprek met Jan Peter Balkenende

Door Pieter Jan Dijkman

Jan Peter Balkenende trad in 2002 als minister-president aan met een forse hervormingsagenda. De boodschap: minder overheid, meer verantwoordelijkheid voor het maatschappelijk middenveld en burgers. Wat is nu de balans, na acht jaren premierschap? ‘Het functioneren van de civil society noopt ons absoluut tot nadere reflectie.’

Balkenende herinnert het zich nog goed: Jaap de Hoop Scheffer die bij de algemene beschouwingen in 2001 een stapel rapporten van het Wetenschappelijk Instituut voor het cda naar de Tweede Kamer bracht. ‘Het was een symbolisch moment. Het cda is klaar om te regeren, was het signaal.’ Twee weken later werd Balkenende, na een leiderschapscrisis, zelf lijsttrekker. De crisis in de partij wist hij snel achter zich te laten. ‘We hadden zoveel denkwerk verricht. Dat mochten we niet laten lopen. Na Paars was het tijd voor vernieuwing. Het was acht jaar lang alleen maar “werk, werk, werk” geweest. In 2001 voelde je aan alles dat de paarse levenscyclus ten einde was gekomen. Er was een breed gevoelde behoefte aan meer dan economie alleen. En wij hadden het alternatief.’

Jan Peter Balkenende (1956) wist wat hij wilde. Toen hij in 2002 aantrad als ministerpresident had hij een ideologische agenda en een idee over de inrichting van de Nederlandse samenleving. Sinds 1983 was hij als stafmedewerker van het Wetenschappelijk Instituut voor het cda al betrokken geweest bij de uitwerking van het concept van ‘de verantwoordelijke samenleving’, zoals dat in een rapport heette. De centrale gedachte: de ‘verzorgingsstaat’ moet worden gemoderniseerd tot een ‘verzorgingsmaatschappij’, en verantwoordelijkheden moeten worden overgeheveld naar het middenveld en burgers. De hervormingsagenda bestond uit ‘vier blokken’ die de marsroute bepaalden, zegt Balkenende. ‘In de eerste plaats hadden wij oog voor de immateriële kant van het bestaan: waarden en normen, respect in de samenleving. Daarnaast voelden wij de noodzaak om hervormingen door te voeren in sociale zekerheid en de gezondheidszorg. Een derde agendapunt was het op orde brengen van de overheidsfinanciën. En ten slotte vonden we dat de positie van Nederland internationaal moest verbeteren.’

Kan hij nu, na acht jaren ministerpresidentschap, de balans opmaken, is de hoofdvraag voor dit gesprek. In hoeverre is die agenda uitgevoerd? Wat is gelukt, wat is minder geslaagd te noemen?

Balkenende zit in zijn nieuwe werkkamer aan het statige Lange Voorhout. Op zijn bureau prijkt een beeltenis van Groen van Prinsterer. Zijn boekenkast is gevuld met een reeks boeken van Kuyper. Om de oude wereldzee bijvoorbeeld, een verslag over zijn ,grote reis door het gebied rond de Middellandse Zee. ‘Abraham de Geweldige’ maakte die reis in het jaar na zijn verkiezingsnederlaag van 1905. Het gesprek met Balkenende vindt plaats op de eerste dag van het Kamerdebat over regeringsverklaring van vvd en cda. Nee, hij heeft niet de neiging om het hele debat te volgen. Zijn agenda is al vol genoeg.

U hebt altijd een koppeling willen leggen tussen het beleid en datgene wat u ten diepste beweegt: het christelijk-sociaal gedachtegoed. Wat zijn voor u de belangrijkste elementen in dat gedachtegoed?

‘Het relationele mensbeeld is voor mij cruciaal. Je bent vooral mens in relatie tot anderen. Dat betekent dat je verantwoordelijkheid hebt voor de ander die het slechter heeft en ook voor latere generaties. Het betekent ook dat je anderen mag aanspreken op hun verantwoordelijkheid. Zowel de sociale leer van de rooms-katholieke kerk als het protestantse leerstuk van de soevereiniteit in eigen kring stond in het teken van de bevordering van christelijk-sociale noties als gedeelde verantwoordelijkheid en gespreide verantwoordelijkheid – een mooi voorbeeld is de oproep in de negentiende eeuw om de klassenstrijd te mijden en te kiezen voor arbeidsorganisaties. Beide noties hebben mij sinds ik betrokken ben bij het cda geïnspireerd.’

Wat ziet u als de belangrijkste successen van acht jaren kabinetten-Balkenende?

‘Er is veel gebeurd om Nederland toekomstbestendiger mte maken. In de eerste plaats zijn er, met name tijdens de periode van het tweede kabinet-Balkenende, veel hervormingen doorgevoerd op het terrein van de sociale zekerheid. Onze centrale gedachte was: we spreken mensen aan op wat ze kunnen, niet op wat ze niet kunnen. De wao werd in het verleden gebruikt als afwentelmachine van de verantwoordelijkheid van werkgevers en werknemers: de werknemer had een betrekkelijk hoge uitkering en de werkgever was van de werknemer af. Met de wia, de Wet Werk en Inkomen naar Arbeidsvermogen, zijn er veel meer prikkels ingebouwd om aan het werk te gaan. Bij de ww geldt eigenlijk hetzelfde verhaal. Er is gewerkt aan een systeem waarbij mensen meer worden aangesproken op hun talent.’

‘Ja, dat was aanvankelijk een harde strijd. De vakbeweging was buitengewoon kritisch. Ze sprak van een horrorkabinet – dat soort termen. Ik vind het een grote verdienste dat we ondanks de weerstand en de protestdemonstraties, ,samen met de sociale partners diverse akkoorden hebben gesloten.’

‘Daarnaast is er in de gezondheidszorg de afgelopen jaren veel bereikt. We zagen dat het systeem van particulier verzekerd of ziekenfondsverzekerd vervangen moest worden door een systeem dat meer solidariteit kent, dat transparanter is, en dat bepaalde prikkels bevat. Het is, ondanks dat het niet af is, gelukt om een nieuw stelsel op te zetten. In het buitenland hebben ze daar veel belangstelling voor.’

‘Ook in het pensioenstelsel hebben we hervormingen kunnen doorvoeren. vut en prepensioen zijn aangepast. Als woordvoerder pensioenen in de Tweede Kamer had ik al door dat als we niets veranderden, de jonge generaties het gelag zouden betalen. En ondanks alle discussies is het toch gelukt om overeenstemming te bereiken over een verhoging van de pensioenleeftijd; in het buitenland zitten ze vaak nog midden in die discussie.’

‘Verder hebben we veel gedaan om de overheidsfinanciën op orde te krijgen. Ik weet nog goed dat mensen tijdens Balkenende I en II zeiden dat we de economie kapotbezuinigden; sommige economen hielden niet op te zeggen dat wij de zaak veel te zwartgallig voorstelden. Achteraf is gezegd dat het goed was wat we hadden gedaan.’

‘Ten slotte hebben we ons in de internationale gemeenschap goed gemanifesteerd. We kregen veel waardering voor onze “drie- D-aanpak” in Afghanistan, met diplomacy, defence en development. We zijn actief binnen de Wereldbank en het imf. En wat ik heel mooi vond, is dat we vier keer zijn uitgenodigd voor de G20, terwijl alle signalen op rood stonden. We hebben ons partijtje daar behoorlijk meegeblazen.’

U hebt nu een aantal successen genoemd. Nu even naar de andere kant van de medaille: zijn er zaken van uw agenda blijven liggen?

‘Ik ben in de eerste plaats niet tevreden over de dynamiek op de arbeidsmarkt. Toen we begonnen met Balkenende IV hadden we afspraken gemaakt over de verandering van het ontslagrecht. We waren bezig met een sociaal akkoord en in het samenspel met de sociale partners zouden we dat ontslagrecht aanpakken. We hebben er een hele tijd over gesproken. Het sociaal akkoord was uiteindelijk gesloten, en toen kwamen mevrouw Jongerius en mevrouw Hamer met heel kritische opmerkingen in de richting van Donner. We hebben gezien hoe het proces is gelopen. Nederland scoort op tal van terreinen goed, maar op het gebied van de flexibiliteit van de arbeidsmarkt doen we het minder goed.’

‘Een tweede punt is de werking van de arbeidsmarkt voor de lange termijn. Met het rapport van de commissie-Bakker, over arbeidsparticipatie, is betrekkelijk weinig gedaan. De arbeidsmarkt van morgen zal te maken krijgen met tekorten. Hebben we wel genoeg leraren, verplegers?’

Vindt u het spijtig dat er in het huidige regeerakkoord niets gedaan wordt aan de flexibilisering van de arbeidsmarkt?

‘Ik wil mij niet uitlaten over de huidige regering. Maar de hervorming van de arbeidsmarkt is wel een gemiste kans, een kans die eigenlijk benut had moeten worden, omdat iedereen ervan overtuigd is dat bepaalde veranderingen noodzakelijk zijn. Ook linkse partijen beseffen dat; de PvdA niet, maar GroenLinks en D66 wel. Het rapport van de commissie-Bakker heb ik inhoudelijk nog door niemand onderuit horen halen. Dat zegt genoeg.’

U noemt alleen de arbeidsmarkt als een beleidspunt dat is blijven liggen. Er is ook kritiek op de behaalde resultaten op het terrein van duurzaamheid en innovatie.

‘Ik deel die kritiek niet. Er is veel bereikt op het gebied van duurzaamheid en innovatie. Ik was eens in India en toen sprak ik de minister van Economische Zaken van dat land. Hij prees ons om twee zaken: om ons watermanagement en onze duurzaamheidstechnologie. Hij had gelijk. Waarom die kritiek? We hebben een aantal heel goede bedrijven die veel bijdragen aan duurzaamheid: dsm, tnt en Unilever. En ook de universiteit in Wageningen en de technische universiteiten komen vaak met vernieuwende ideeën.’

‘Ja, ik was ook zeer teleurgesteld dat we op de klimaatconferentie in Kopenhagen met elkaar niet zoveel hebben bereikt. Maar aan de Nederlandse regering heeft het niet gelegen.’

Hoe evalueert u het normen-en-waardendebat?

‘In het begin werd er lacherig over gedaan: ‘Ach, het zijn allemaal tegeltjeswijsheden’, ‘Je wilt terug naar de jaren vijftig’. Eerlijk  gezegd deed die kritiek mij helemaal niets. Dat was een Haagse discussie, op de vierkante kilometer op het Binnenhof. Want waar je ook kwam in Nederland: het thema respect scoorde buitengewoon hoog bij de bevolking. Dat snap ik wel. Het gaat om vragen als: hoe blijft jouw wijk leefbaar, hoe kunnen jouw kinderen daar veilig leven, wat betekent de inzet van vrijwilligers?’

Management by speech vond u in dit geval belangrijker dan concrete beleidsresultaten?

‘Zo ligt het niet. Het is nooit “of-of”. Ik had zelf een intense behoefte om het thema aan de orde te stellen. Tijdens Paars was er te weinig aandacht voor geweest. Maar er leefden in de samenleving wel grote zorgen over het gebrek aan waarden en normen.’

‘Nu wordt ook nadrukkelijk erkend dat het goed is dat het onderwerp is geagendeerd. Er zijn ontzettend veel goede projecten op gang gekomen waarbij het thema “respect voor de ander” centraal stond: op scholen, in buurten en wijken, op voetbalverenigingen. Er zijn codes voor goede omgangsvormen opgesteld, er zijn acties gehouden om pesten tegen te gaan.’

‘Ik heb eens, toen ik een basisschool bezocht, gevraagd aan de kinderen wat het woord respect betekende. “Doe normaal”, zeiden ze. De leerkrachten op die school hanteerden het motto “Doe normaal”. Als een docent dat vaak genoeg herhaalt, nemen zijn leerlingen dat vanzelf over. Die kinderen wisten heel goed wat “normaal doen” betekent. En daar gaat het uiteindelijk om.’

Hebt u weleens het gevoel gehad dat er meer mogelijk was geweest met die morele agenda?

‘Op een gegeven moment was er een Kamerdebat waarbij alles onder waarden en normen werd verstaan. Toen hebben we gezegd: we moeten de zaak wel beheersbaar houden. Vandaar dat we het vooral hebben gehad over de omgang met elkaar in de publieke ruimte.’

‘Er is wel gezegd dat het debat inmiddels is stilgevallen. Ik deel die kritiek niet. Het thema waarden en normen is in de samenleving nog zeer actueel.’

U beperkte het debat tot de omgangsvormen in het publieke domein. Hebt u er weleens over gedacht om de discussie door te trekken naar de semipublieke of private sector of te verdiepen met thema’s als menselijke waardigheid?

‘Ik heb onlangs nog in een rede aan de Vrije ,Universiteit aangegeven dat die discussie rondom waarden en normen eigenlijk ook gaat om de vraag hoe mensen en organisaties met hun verantwoordelijkheid omgaan. Ik heb me daarbij onder meer verzet tegen een doorgeslagen bonuscultuur.’

Toch was het vooral PvdA’er Wouter Bos die de bonuscultuur op een gegeven moment bekritiseerde, en niet cda’er Jan Kees de Jager.

‘Ik geloof dat ik zelf al tijdens Balkenende II opmerkingen heb gemaakt over de hoge salarissen. Dit soort zaken is geen monopolie van bepaalden partijen of personen. We werden natuurlijk wel vanaf 2008 geconfronteerd met de vraag waarom het misging in de financiële sector. We hebben als kabinet toen gewezen op het gebrek aan transparantie en toezicht. Dat gold voor mij, het gold ook voor de minister van Financiën.’

Het is geen toeval dat de balkenendenorm de balkenendenorm heet?

‘De “balkenendenorm” is een onzinnige term. Het gaat om de nieuwe norm van het ministerssalaris, en de premier zit daar qua salaris nog iets boven.’ Glimlachend: ‘Ik heb eens in de ministerraad gezegd: “Elke minister die het nog een keer heeft over de balkenendenorm, ontneem ik het woord.”’

‘Ik denk dat de kabinetten van mij veel meer dan vorige kabinetten iets hebben gedaan aan het aan de orde stellen van de salariëring van managers in de publieke en semipublieke sector. In de sfeer van transparantie en normering is er veel verbeterd.’

Maatschappelijk middenveld

Balkenendes centrale boodschap al die jaren was de overheveling van verantwoordelijkheden van de staat naar het maatschappelijk middenveld en burgers. De ontmanteling van de verzorgingsstaat, de vorming van nieuwe gemeenschappen, ruimte bieden aan particuliere initiatieven, de waarden en normen – ze zijn een constante in zijn missie sinds de jaren tachtig.

In uw rede aan de Vrije Universiteit zei u: ‘De hand van de overheid reikt nog te ver. Er zal werkelijk vertrouwen en ruimte gegeven moeten worden aan burgers, bedrijven en maatschappelijke instellingen.’ Dat was nu juist uw agenda, acht jaar lang. Waarom is dat zo’n moeilijk proces?

‘Er zijn twee zaken. In de eerste plaats blijft de samenleving maar steeds naar de Haagse politiek kijken. De vraag of iets nu een overheidstaak is of de verantwoordelijkheid van burgers zelf komt nauwelijks aan de orde. Het tweede is dat er nogal wat institutionele weerstanden zijn, op het niveau van belangengroepen of departementen. Instanties en verenigingen zijn nu eenmaal gewend aan de afhankelijkheid van de overheid, met subsidiestromen. De vraag waar verantwoordelijkheden liggen blijft relevant. Maar het is een weerbarstig proces.’

‘Natuurlijk is er wel geprivatiseerd en zijn er minder regels gekomen. Ik ben tot het inzicht gekomen dat we vooral praktisch moeten zijn. We moeten binnen de bestaande wet- en regelgeving naar oplossingen zoeken. Ik vind de crisis- en herstelwet, die voor kortere procedures zorgt, een heel mooi voorbeeld. Je weet wat je wilt met een project, je creëert draagvlak en vervolgens maak je tempo. Deze methode van werken zou misschien ook op andere terreinen dan infrastructuur en ruimtelijke ordening kunnen worden toegepast.’

U gebruikt het woord privatisering. Overheidstaken moesten toch vooral naar het middenveld worden overgeheveld, niet naar de markt.

‘Ik vind dat je de mogelijkheden van marktwerking moet benutten. Maar ze is voor mij en voor de andere christendemocraten in het kabinet nooit de hoogste norm geworden. Voor ons was vraagsturing een belangrijk begrip bij de versterking van de rol van burgers. Maar dat idee hing wel nauw samen met de notie van gespreide verantwoordelijkheid. En gespreide verantwoordelijkheid is geen zelfstandige categorie, maar bevindt zich altijd binnen de kaders van solidariteit en rentmeesterschap.’

Toch zijn de verhoudingen tussen de burger en instellingen in de zorg, het onderwijs, de volkshuisvesting en de overheid soms gecommercialiseerd. Zo hebben de woningcorporaties hun sociale taak verruild voor winstgevende projecten met hoge bonussen voor de leidinggevenden. In de zorg spelen efficiency en doelmatigheid een belangrijke rol.

‘Het is te kort door de bocht om te zeggen dat het hele systeem niet werkt. Er zijn ook voorbeelden te noemen waarin het gewoon goed gaat, juist omdat er meer ruimte is voor particuliere en maatschappelijke initiatieven. Neem de buurtzorg: kleinschalige teams die zorg op maat weten te leveren. Het probleem waar we soms tegenaan lopen, is dat er elementen zijn die ten koste gaan van het doel waarvoor de organisatie was opgericht. Een woningcorporatie die vooral gericht is op winstgevende activiteiten in het buitenland is ver verwijderd van haar sociale taak.’

‘Mijn zorg is eigenlijk deze: we hebben als cda altijd terecht ingezet op een vitale civil society. Maar als we zeggen dat maatschappelijke organisaties als woningcorporaties en zorginstellingen een grote rol moeten spelen, dan veronderstelt dat ook dat die organisaties geen aanleiding geven voor twijfels onder de gebruikers. Je mag geen discussie krijgen over beloningssystemen in de semipublieke sector. Dat leidt tot verwarring bij mensen. Dat debat moeten we echt onder ogen zien. Er is echt meer moraliteit nodig.’

‘Maar ik vind ook dat we moeten oppassen om weer door te schieten naar de andere kant. Dat zagen we bijvoorbeeld bij de financiële crisis. Politici die constateerden dat de markt faalde, en prompt ervoor pleitten om weer helemaal terug te gaan naar een sterke rol voor de staat. Het denken in het schema “staat of markt” bevalt me niet.’

In uw boek Anders en beter uit 2002 was u optimistisch gestemd over de vitaliteit van het maatschappelijk middenveld. Waren uw verwachtingen destijds te hoog?

‘Ja, als een woningcorporatie ineens dat dure schip ss Rotterdam koopt – wat erg riskant is – dan ga je je inderdaad wel afvragen of zoiets nu hoort bij de kerntaak van een woningcorporatie. De overheid moet zich de vraag stellen wat haar taak is en hoe ze moet omgaan met dit soort kwesties. De marktsector zal zich de vraag moeten stellen: hoe maatschappelijk verantwoord zijn we bezig, kiezen we voor het Angelsaksische model of voor het Rijnlandse model, waarbij waarden als zelfbeheersing en zelfbeperking een grote rol spelen? Ik kies voor het laatste.’

Zegt u daarmee ook, na alles wat u hebt geprobeerd: het is met die overheveling van verantwoordelijkheden niet gelopen zoals wij in al die jaren dachten dat het zou gaan lopen?

‘Ja, kijk, tal van zaken gaan niet zoals je zou willen. Maar het functioneren van het maatschappelijk middenveld noopt ons absoluut tot nadere reflectie.’

Wat betekent dat voor het cda-gedachtegoed?

‘Als ik nu even de grote lijnen trek: in de jaren tachtig is het idee ontwikkeld om meer ruimte aan het middenveld te geven. Vervolgens hebben we de nadruk gelegd op vraagsturing en zijn we het middenveld van onderop gaan benaderen. Ik denk dat we nu in een fase terecht zijn gekomen dat we heel goed moeten kijken hoe de civil society functioneert. En daar moet echt een heel kritische reflectie op komen. Want als je bijvoorbeeld uitgaat van marktconforme salarissen in de semipublieke sector, en die ontwikkeling zien we, dan is het eigen karakter van die civil society echt in het geding.’

‘Ik ben er nog altijd van overtuigd dat we de ruimte voor het middenveld moeten vergroten. Maar tegelijkertijd zie je nog te vaak dat we te veel ruimte willen laten voor overheidsinterventies en dat er hybride structuren ontstaan. Daar zullen we vanaf moeten. En soms moeten we gewoon aanvaarden dat iets niet gaat zoals we zouden willen.’

Regeren

Een ‘klein wonder’ noemt hij zijn premierschap zelf nog altijd. Zijn vader had er op de dag van zijn academische promotie, in februari 1992, al eens op gehint. Vader Balkenende wist dat er ooit ene Claes Dircksz. van Balckeneynde was geweest die het Catshuis had gebouwd. Tijdens het diner na afloop van de promotie, in Amstelveen, grapte hij: ‘Er is ooit een Balckeneynde geweest die het Catshuis heeft gebouwd; het begint tijd te worden dat er nu een Balkenende gaat wonen. Op naar het Catshuis!’

Balkenende junior: ‘Ik heb er toen smakelijk om gelachen. Op dat moment zat ik nog niet eens in de Tweede Kamer, het was volstrekt niet aan de orde. Maar ik vond het tien jaar later wel een klein wonder dat de opmerking van mijn vader werkelijkheid was geworden. En nog steeds blijf ik het bijzonder vinden.’

U hebt eerder in dit gesprek de term ‘institutionele weerstand’ laten vallen. Is regeren tegengevallen? Is het moeilijker dan de buitenwereld denkt?

‘Nee, “tegengevallen” is niet het goede woord. Ik wist dat de werkelijkheid soms knap ingewikkeld kon zijn en dat regeren niet eenvoudig was. Zelf kijk ik met een zekere voldoening terug op mijn regeringsjaren, omdat er, objectief gemeten, gewoon veel is gedaan en bereikt. Maar er waren twee zaken die ik wel lastig heb gevonden. In de eerste plaats het goed omgaan met die institutionele weerstand, met organisaties die het eigen belang boven het gemeenschappelijk belang stellen. Daarom was ik zo blij met die crisis- en herstelwet: het gemeenschappelijk belang stond boven de deelbelangen van een departement of organisatie. Daarnaast vond ik de hyperigheid van de media een lastig punt. Media zijn vooral geïnteresseerd in lekkere quotes, in conflicten. Nederland wordt zo langzamerhand geregeerd door de waan van de dag. Elke dag en over elk onderwerp is er wel een opiniepeiling. Een hervormingsagenda vraagt juist om een bredere tijdshorizon. Hoe maak je Nederland toekomstbestendiger? In de media gaat het daar zelden over.’

U werd in 2002 minister-president, u was nog niet zo lang fractievoorzitter. Hebt u destijds overwogen een andere, misschien meer ervaren, politicus te vragen het premierschap op zich te nemen?

‘Nee, ik heb geen moment van aarzeling gekend. Ik wist natuurlijk dat in de naoorlogse parlementaire geschiedenis Schermerhorn tot dan toe de enige minister-president was geweest die voorheen geen ministersfunctie had vervuld [1945 en 1946; pjd]. Maar ik vond gewoonweg dat ik mijn verantwoordelijkheid moest nemen. Er moest nieuw politiek leiderschap worden getoond: Nederland moest toekomstbestendiger worden gemaakt en het cda moest weer op de politieke kaart worden gezet. Daar wilde ik niet voor weglopen.’

Uw eerste kabinet, van cda, vvd en lpf, strandde na 87 dagen. Had de val van dat kabinet, met de kennis van nu, op de een of andere manier voorkomen kunnen worden?

‘Nee. Destijds was het in de beleving van iedereen volstrekt helder dat de lpf intern grote problemen had. De ministers Heinsbroek en Bomhoff vochten publiekelijk een strijd uit om het politiek leiderschap van hun partij. Met beiden heb ik toen gesproken om te komen tot een oplossing. Er was op dat moment alleen geen houden meer aan. De val was onvermijdelijk. Maar ik heb ook nooit spijt gehad van de keuze voor een kabinet met de lpf. Die partij had bij de verkiezingen 26 zetels gehaald. Op dat moment was er geen alternatief.’

Was de regering met de lpf een strategische keus om de ‘Fortuynrevolte’ verend op te vangen?

‘Eind 2001 merkte ik twee dingen. In de eerste plaats dat de paarse levenscyclus ten einde was. Er was geen motto, geen idee, geen dynamiek meer bij kabinet-Kok II. Het tweede punt was de grote ontevredenheid bij de bevolking. De term “wachten” is toen vaak gebruikt: het was wachten in de file, wachten in de zorg, wachten op de leerkracht. Pim Fortuyn had dat ook duidelijk gemaakt met zijn boek De verweesde samenleving. Het onbehagen moest wel een stem krijgen in de Nederlandse politiek.’

Uw tweede kabinet, van cda, vvd en D66, wordt als uw beste en daadkrachtigste beschouwd. Wat was het succes van dat kabinet?

‘Dat zat in het feit dat er een ongelooflijke opdracht was om te hervormen, en dat de toenmalige ministersploeg ook de bereidheid en de daadkracht toonde om die hervormingen tot een goed einde te brengen. In een betrekkelijk korte periode van drie jaar is er, ondanks veel maatschappelijke weerstand, een prestatie van formaat geleverd. De geschiedenis zal moeten uitwijzen hoe het precieze beeld is. Maar ik denk dat dit terecht als een sterk kabinet zal worden getypeerd.’

Dat kabinet viel door de zogeheten paspoortkwestie van Ayaan Hirsi Ali en het optreden van vvd-minister Verdonk. Wat is uw analyse van die val?

‘De oorzaak van de kabinetsbreuk lag bij D66, op dat moment een labiele partij. Ze was verwikkeld geweest in een lijsttrekkerstrijd tussen Alexander Pechtold, destijds minister, en fractievoorzitter Lousewies van der Laan. Op een gegeven moment stelde Van der Laan: “Het is Verdonk eruit of D66 eruit.” Dat was een onmogelijke eis. Wij wilden en konden de vvd destijds niet laten vallen. D66 had overigens al twee keer eerder gedreigd het kabinet te laten vallen.’

Hoe moeilijk was het om na een redelijk geslaagd kabinet met de vvd in 2006 over links te gaan?

‘We hadden te maken met de verkiezingsuitslag die een voorzetting van een kabinet van cda en vvd onmogelijk maakte. Het was duidelijk dat er een kabinet moest komen met in elk geval cda en PvdA. Er was geen alternatief mogelijk. Ook toen had ik de overtuiging dat we de verantwoordelijkheid voor het bestuur van het land moesten nemen. Destijds heb ik aan het begin van de gesprekken met de informateur, eind 2006, ook gewoon tegen Wouter Bos gezegd: “Als we dit land regeerbaar willen houden, dan hangt het van ons af.”’

Het algemene beeld was: Balkenende gaat liever over rechts. Klopt dat?

‘Nou, zo kun je het niet zeggen. Je hebt de stem van de kiezer gewoon te respecteren. Ik ben democraat genoeg om te beseffen dat het verkiezingsresultaat doorslaggevend moet zijn voor de kabinetssamenstelling. Dat gold in 2002 met de lpf, en dat gold in 2006 met de PvdA.’

U hebt later vast weleens gedacht: mijn agenda, met de overheveling van verantwoordelijkheden naar het middenveld, kan ik beter met de vvd uitvoeren.

‘Zo heb ik dat vroeger nooit gezegd.’

Maar misschien wel gedacht.

‘Daar schiet je natuurlijk niet geweldig veel mee op. Nee, bij mij was het punt echt: je neemt de verkiezingsuitslag zoals die is, je investeert in het kabinet van cda, PvdA en ChristenUnie. Mijn gevoel was toen dat iedereen tot de kerstperiode van 2007 aan de nieuwe situatie zou moeten wennen, en dat we vervolgens na de jaarwisseling dan echt aan het werk konden gaan. Zo is het ook gegaan.’

U verlegde in de verkiezingscampagne van 2006 het accent van hervormen naar investeren. Waarom?

‘Het was een bewuste keus om meer in te zetten op zekerheid. Het cda had bij de gemeenteraadsverkiezingen eerder dat jaar een slecht resultaat geboekt. Dat leverde in de partij de nodige discussie op. Het signaal van het lokale partijkader was heel duidelijk: de Nederlandse bevolking is alle hervormingen beu. Er was veel gevraagd van de spankracht van de samenleving. Vandaar dat ons motto in de landelijke campagne luidde: ‘Welvaart, respect en zekerheid.’ Bovendien zagen we in de zomer van 2006 dat de economie behoorlijk ging functioneren. Het beleid van Balkenende II begon zijn vruchten af te werpen. Dus de noodzaak om te hervormen was ook minder geworden.’

Wat ziet u als de grootste verdienste van uw vierde kabinet?

‘Het begin was veelbelovend: het coalitieakkoord viel goed. Maar tijdens de luistertoer van honderd dagen sloeg de beeldvorming om. “Dit is een kabinet dat niets doet”, werd gezegd. Vervolgens kregen we intern de eerste problemen rond het ontslagrecht, en die discussie heeft eigenlijk invloed gehad op de hele verder periode.’

‘En dat terwijl er toch tal van zaken wel goed zijn gegaan. Hirsch Ballin heeft op het gebied van veiligheid veel bereikt, Klink heeft in de zorgsector veel voor elkaar gekregen, Donner is belangrijk geweest in de discussie over de verhoging van de pensioenleeftijd. De financieel-economische crisis hebben we goed getackeld.’

Hoe verklaart u dat ‘niksig imago’, zoals Arie Slob het noemde?

‘Kijk, als je nu eens wist hoe vaak bewindslieden naar de PvdA-fractie moesten, om maar eens een voorbeeld te noemen. Dan moest Donner met mevrouw Hamer praten, dan moest Klink weer eens langs. Dat maakt het leven wel wat lastiger. Bij de vvd was een deal gewoon een deal. Zalm zei altijd: “Ik ga over financiën en Van Aartsen gaat over de rest”, en als je dan een afspraak had gemaakt, hoefde je vervolgens niet nog eens langs om te praten. Ik betreur ook de manier waarop het kabinet met de PvdA tot een einde is gekomen. We waren drie weken bezig om een evenwichtig besluit over de Uruzgan- missie te nemen. De PvdA vroeg zelfs nog om een navo-brief. En ineens werd gezegd: we hebben altijd al gezegd dat we geen voortzetting van de missie wilden. Waarom hebben we dan drie weken lang gepraat met elkaar? Ik houd niet van zwart-witbeelden. Er zijn genoeg momenten geweest dat Bos en ik gewoon goed hebben samengewerkt. Maar ik was onaangenaam verrast over de manier waarop de PvdA ermee stopte. En dan blijkt ook nog dat er al een hele tijd contact is geweest tussen Bos en Cohen over het leiderschap van de partij. Afijn, dat zal de geschiedenis wel uitwijzen.’

Hebt u uzelf weleens wat verweten? Zegt u achteraf misschien van iets: dit had ik anders moeten doen?

‘Ik heb altijd een positieve insteek gehad. Ik dacht echt: we komen hier uit. Achteraf krijg je dan heel andere dingen te horen. Maar daar had ik dus op het moment zelf niet zo veel aan.’

Partijleiderschap

Bij de Tweede Kamerverkiezingen, op 9 juni, verloor het cda fors, twintig zetels. ‘De uitslag is zeer, zeer teleurstellend’, zei Balkenende diezelfde avond in het Lucent Danstheater aan het Spui in Den Haag, waar het cda bijeen was. ‘Het is een klap voor ons.’ Hijzelf kondigde aan zijn partijleiderschap per direct neer te leggen. Daarmee werd een tijdperk afgesloten.

U hebt acht jaar lang aan het roer gestaan van het cda, u hebt u als premier altijd met veel energie ingezet, soms tegen de stroom in. En dan wordt dat ‘beloond’ met zo’n verkiezingsuitslag.

‘Ja, dat is ontzettend zuur. Je draagt lange tijd regeringsverantwoordelijkheid, je probeert het goede te doen voor je land, en dan krijg je zo’n resultaat. Pijnlijk.’

Hebt u een verklaring voor de verkiezingsuitslag?

‘Daar ga ik liever niet op in. Ik vind dat ik daar als oud-partijleider terughoudend in moet zijn. We hebben in de partij meer moeilijke periodes meegemaakt. Ik ben ervan overtuigd dat het cda zal terugkomen. Er zit zo veel inspiratie in datgene wat de christendemocratie voorstaat.’

Hoe zou u uw eigen leiderschap willen typeren?

‘Ik heb geprobeerd in die acht jaren steeds de inhoud voorop te stellen. En ik heb altijd geprobeerd jaar als een teamspeler met anderen op te trekken. Ik vind niet dat een premier zich alle dossiers moet toe-eigenen; dat past niet in het Nederlandse coalitiebestel. De ministers moeten over hun beleidsterrein gaan en de premier is de eerste onder zijn gelijken, zoals het heet.’

Hebt u zich weleens willen spiegelen aan een van uw voorgangers?

‘Nee, het functioneren van ministerspresidenten is sterk afhankelijk van de tijd waarin ze opereren. In de tijd van Drees hadden politici een andere positie dan nu, in de tijd van Lubbers was er nog geen internet, werd er nog niet getwitterd. Dat neemt niet weg dat anderen inspirerend kunnen zijn. Ikzelf heb altijd veel contact gehad met Jelle Zijlstra. Zijn analytische geest waardeerde ik zeer. En van Lubbers heb ik genoten vanwege de manier waarop hij aan het begin van zijn regeerperiode tegen de stroom in ging.’

Hoe moeilijk is het om zowel cda-leider te zijn als premier van alle Nederlanders?

‘Aan het begin, toen ik dit werk mocht gaan doen, heb ik me ook wel de vraag gesteld of het handig zou zijn om beide functies te verenigen. Binnen het cda is het nooit anders geweest; Van Agt en Lubbers waren zowel premier als partijleider. Nee, ik heb het nooit als een probleem ervaren. Dat kwam ook omdat ik voortdurend contact had met de fractievoorzitter en met de partijvoorzitter. Ik heb gewoon geprobeerd beide functies goed uit te oefenen. Ik heb wel de kritiek gekregen dat ik te veel de cda-premier was. Ja, ik ben christendemocraat in hart en nieren, ik ben gevormd binnen het cda, en opereer vanuit mijn overtuiging. Dat kan ik niet ontkennen. Tegelijk ben ik me er altijd van bewust geweest dat Nederland een coalitieland is en dat we er met elkaar het beste van moeten zien te maken.’

De commissie-Frissen concludeerde dat de partijtop de afgelopen jaren te gesloten was. De Tweede Kamerfractie kon vrijwel geen dualistisch tegenspel bieden aan die sterke kleine hofhouding rond het Torentje. Gevolg: te weinig zelfkritiek. Deelt u die analyse?

‘Toen ik begon in 2002 als premier heb ik altijd gekozen voor goed overleg tussen de hoofdrolspelers en het werken aan eenheid binnen de partij. Dat deed ik simpelweg op basis van mijn ervaring rond 1994. Ik heb partijbijeenkomsten meegemaakt waar Lubbers, Kaland en Brinkman verschillende verhalen hielden. Ik heb nooit iets gevoeld voor een partij van verdeeldheid. Dat wekt verwarring en darmee maak je jezelf veel te kwetsbaar. Mensen zien graag dat een partij een eenheid vormt. Dat betekent niet dat je debat zou moeten mijden, verre van dat. En de afgelopen jaren is er ook het nodige denkwerk verricht.’

‘Ja, ik kreeg in 2006 de kritiek dat ik Ab Klink en Marja van Bijsterveldt in de regering had gehaald. Ik koos gewoon voor goede bewindslieden, en de afgelopen jaren heb ik gezien dat ze uitstekend werk hebben geleverd. Dan zeg ik ook: ja, mensen, wat zou er zijn gebeurd als Ab niet in een kabinet was gekomen? Was hij dan de hele tijd bij het Wetenschappelijk Instituut gebleven?’

‘We moeten in het cda oppassen om te veel aan personen op te hangen. Er is iets dat veel sterker is dan de personen: het feit dat je staat in een traditie van een christendemocratische beweging.’

‘Overigens herken ik me niet in het beeld van het rapport-Frissen dat de partijtop de afgelopen jaren de nadruk te veel heeft gelegd op economische onderwerpen. Ik heb voortdurend ook gesproken over thema’s als integratie, respect, de vraag hoe je met elkaar omgaat.’

Nu klinkt breed weer de roep om een stevigereigen christendemocratische boodschap voor de kiezers. Begrijpt u dat?

‘Je moet voortdurend reflecteren op je eigen bronnen en op de boodschap die je hebt voor Nederland. In het christelijk-sociaal denken is vaak de notie genoemd van “op weg gaan”. Een mooi woord. Daarmee geef je aan dat je er eigenlijk nooit bent: je hebt je eigen visie altijd bij de tijd te brengen. De tijden zijn wij. Nu is het aan de partij om aan te geven waar ze staat.’

‘Het cda heeft een dusdanig sterke grondslag en sterke uitgangspunten dat we in staat zullen zijn om de moeilijkheden van dit moment te overwinnen. Ik heb er een rotsvast vertrouwen in dat het goed komt, omdat ik een rotsvast vertrouwen heb in de kracht van de christendemocratie.’

Bel 0522 237 555 of e-mail boomtijdschriften@uitgeverijboom.nl voor een abonnement of kennismakingsnummer van Christen Democratische Verkenningen.