Drugshandel bestrijden én spioneren

De inlichtingentak van de Amerikaanse drugsbestrijder DEA groeit mee met het internationale terrorisme.

Buitenlandse leiders doen graag een beroep op de dienst.

De Verenigde Staten hadden het Blackberry-berichtje van de president van Panama „helemaal verkeerd” geïnterpreteerd, zeiden de woordvoerders van Ricardo Martinelli op Eerste Kerstdag. President Martinelli had de Amerikaanse Drug Enforcement Administration (DEA) alleen gevraagd de georganiseerde misdaad te bespioneren – níet zijn politieke tegenstanders.

Toch was het verzoek van de Panamese president vrij expliciet, volgens het door WikiLeaks gelekte diplomatieke bericht waarover de Spaanse krant El País dit weekend berichtte. „Ik heb hulp nodig bij het aftappen van telefoons”, vroeg Martinelli in juli 2009 aan de Amerikaanse ambassadeur Barbara Stephenson. Duidelijk was dat hij geen onderscheid maakte tussen „legitieme doelen voor veiligheid” en „politieke vijanden”, aldus de ambassadeur.

Toen de Amerikanen afwijzend reageerden, dreigde de president de samenwerking met de DEA te staken. Hij vond dat hij wat te goed had van de Amerikaanse drugsbestrijdingsdienst voor al het inlichtingenwerk dat de DEA in Panama had mogen doen. De ambassadeur zag het verzoek eerder als dubieuze bedrijfsspionage, refererend aan Martinelli’s bestuursvoorzitterschap van supermarktketen Super 99. Zijn neiging tot „beschuldigen en chantage” zou hem vast tot „sterrendom” in het „supermarktwezen” leiden, maar paste niet bij „een staatsman”.

Dit voorval en andere diplomatieke stukken over de DEA die WikiLeaks onlangs heeft gelekt, bevestigen de verschuivende rol van de drugsbestrijdingsdienst, concludeerde The New York Times dit weekend. De DEA is tevens een machtige inlichtingendienst geworden. Een apparaat dat zo goed gefaciliteerd is dat buitenlandse leiders er graag een beroep op doen voor eigen gewin. Ook in landen waar politici nauwelijks van drugshandelaren zijn te onderscheiden en misdaadsyndicaten opereren als ministaten, aldus de krant.

Uit een ander gelekt stuk waar The New York Times zaterdag over schreef blijkt bijvoorbeeld hoe Mexico bij de VS aandringt op het uitwisselen van inlichtingenmateriaal over de drugskartels in eigen land. Bij een ontmoeting in oktober 2009 uitte de Mexicaanse minister van defensie Guillermo Galván Galván tegenover Dennis Blair, oud-hoofd van de Amerikaanse inlichtingendiensten, zijn wantrouwen jegens het onmachtige, corrupte Mexicaanse leger. Gálvan denkt dat zijn leger de komende „zeven tot tien jaar” geen vooruitgang zal boeken – tenzij Amerikaanse inlichtingenagenten bijspringen.

Een gelekt bericht van februari dit jaar beschrijft hoe de regering van Paraguay de DEA vroeg mobiele telefoons van de linkse rebellen van het Paraguayaanse Volks Leger EPP af te luisteren. Ook hier weigerde de dienst herhaaldelijk, omdat zij zich niet wil laten gebruiken voor „politiek gewin”, zei de Amerikaanse ambassadeur. De Paraguayaanse minister van Binnenlandse Zaken Rafael Filizzola kocht vervolgens in Brazilië afluisterapparatuur voor 1,2 miljoen dollar dat de apparatuur van de DEA kon hinderen, als de dienst niet mee zou werken bij de installatie. Dus hielp de DEA met de klus: het duurde ruim een jaar.

De onthullingen van WikiLeaks tonen vooral aan hoe ver de invloed van de DEA in de praktijk reikt. De dienst weigerde commentaar op de krantenartikelen, omdat ze zijn gebaseerd op vertrouwelijke stukken. Maar dat de inlichtingentak van de DEA al jaren groeit, is geen geheim. Zo rapporteerde het Amerikaanse ministerie van Justitie in 2008 dat het aantal inlichtingenanalisten bij de DEA sinds de oprichting in 1973 is uitgegroeid van 11 tot 710. De dienst heeft momenteel 87 kantoren, verspreid over 63 landen.

Een deel van de verklaring is dat de internationale drugshandel steeds meer is verweven met internationaal terrorisme, met name sinds de aanslagen van 11 september 2001, volgens de top van de DEA. Begin dit jaar concludeerde het onderzoekscentrum van het Amerikaanse Congres dat het aantal terroristische organisaties dat betrokken is bij internationale drugshandel tussen 2003 en 2008 „een sprong” heeft gemaakt van 14 naar 18 groepen. In Afghanistan bijvoorbeeld zag voormalig DEA-hoofd Karen Tandy „geen onderscheid” tussen de machtigste drugsbazen en de Talibaan, volgens een gelekt WikiLeaks-stuk uit 2007.

Het inlichtingenwerk gaat niet altijd goed. Enkele maanden na 11 september stuurde de DEA een kleine drugshandelaar en informant, David C. Headley, naar Pakistan om te infiltreren bij militante islamieten. De Amerikaan van Pakistaanse afkomst sympathiseerde met hen en sloot zich aan bij de Lashkar-e-Taiba-groep. Vorig jaar hielp hij een – verijdelde – aanslag te plannen op de Deense krant Jyllands-Posten die een cartoon van Mohammed publiceerde. In maart van dit jaar bekende hij steun te hebben gegeven aan de aanslagen in het Indiase Mumbai in 2008 waarbij ongeveer 170 doden vielen.