Xenofobie is desastreus voor de Europese economie

Om de toekomstige vergrijzing het hoofd te bieden, moet Europa veel meer hoogopgeleide kennismigranten toelaten, aldus Steven Brakman en Arjen van Witteloostuijn.

Vergrijzing heeft verregaande gevolgen voor onze economie. Helaas is dat inzicht niet of nauwelijks doorgedrongen tot het regeringsbeleid.

De lopende discussie over de toekomstige betaalbaarheid van de pensioenen is een teken aan de wand. Het kabinet komt met de halfbakken maatregel om de pensioenleeftijd te verhogen naar 66 jaar in 2020. Dat is veel te weinig en veel te laat, vooral omdat ook op andere terreinen de demografische veroudering, die vrijwel overal in Europa toeslaat, grote gevolgen zal hebben. De leegloop van perifere gebieden in Nederland is een voorbode van wat ons geografisch te wachten staat: toenemende leegstand in krimpgebieden, wegkwijnende gemeenschappen en onbetaalbare scholen, ziekenhuizen en bejaardentehuizen.

Grote delen van Europa ondergaan een soortgelijk demografisch lot. Het vruchtbaarheidscijfer in grote delen van Europa is lager dan 1,8 kind per vrouw. Om de bevolking op peil te houden, is 2,1 kind nodig.

Deze ontwikkeling zal grote consequenties hebben voor de arbeidsmarkten. Voorspeld wordt dat rond 2050 ongeveer 30 miljoen werkenden minder dan nu de sputterende Europese motor zullen voeden. Als het aanbod van arbeid ten gevolge van vergrijzing afneemt, zal bij een gegeven vraag de prijs van arbeid stijgen. Dat betekent voor kennisintensieve landen als Nederland en Duitsland vooral dat het loonniveau van relatief hooggeschoolde werknemers zal oplopen.

Ongestuurde arbeidsmigratie biedt nauwelijks een oplossing. Ook ouder wordende migranten dragen immers bij aan de vergrijzing. Bovendien zijn migranten vaak te laag geschoold. Omdat de kerneconomieën in Europa min of meer gelijktijdig vergrijzen, zal een onderlinge concurrentiestrijd ontbranden om de hooggeschoolde Europese werknemer.

Ook de nieuwe toetreders tot de Europese Unie, zoals Polen, vergrijzen sterk. Het synchroon vergrijzende en concurrerende Europa zal daarom een sterk prijsopdrijvend effect hebben op de lonen van de in toenemende mate schaarse en hoogopgeleide werknemer. Ten dele zal deze stijging kunnen worden gecompenseerd door een hogere arbeidsparticipatie van zittende werknemers – zeker in Nederland, dat immers kampioen deeltijdarbeid is. De paradox is echter dat de stijgende lonen de arbeidsparticipatie juist kunnen verminderen, omdat het eerder ‘uit kan’ om minder en minder lang te werken.

Het gevecht om de hooggeschoolde werknemer blijft niet beperkt tot Europa. Landen als Australië, Canada en de Verenigde Staten werken met een veel sterker op de arbeidsmarkt gerichte selectie aan de grens dan in Europa gebruikelijk is. Het Engels sprekende deel van de wereld trekt de hoger opgeleiden, Europa de lager opgeleiden. Door de aanwezigheid van andere kenniswerkers willen hoogopgeleiden zelf ook graag naar de Verenigde Staten, Canada of Australië.

Grosso modo leidt dat ertoe dat op langere termijn de concurrentiepositie van Europa verder zal verslechteren – deels door hogere lonen in de kennisintensieve en op export gerichte kernindustrieën en deels door het Europese migratiebeleid. Een hoogopgeleide migrant uit India of Indonesië die voor de vraag staat waar zich te vestigen, zal waarschijnlijk niet kiezen voor Europa.

Intussen zit het bedrijfsleven niet stil. Het tekort aan hoogopgeleide werknemers, gecombineerd met de hoge lonen, zal de locatiekeuze van bedrijven beïnvloeden. Voor zover mogelijk zullen bedrijven zich vestigen in landen waar de lonen minder snel zijn gestegen en waar de arbeidsmarkt minder grote tekorten kent. Uit onderzoek van het Centraal Planbureau blijkt dat het vooral gaat om relatief productieve bedrijven: multinationale en exporterende ondernemingen, die gemakkelijker in staat zijn om zich te onttrekken aan de demografische consequenties van een verouderend Europa.

Wat kan Europa doen om deze malaise te voorkomen? Ten eerste zou Europa prioriteit moeten geven aan het aantrekken van jonge en goed opgeleide immigranten. Het Europese beleid verschilt per land en wordt bijna overal xenofober. Een versnelde toelating van hooggeschoolden komt moeizaam van de grond. De behandeling van talentrijke, niet-Europese studenten door immigratieautoriteiten is vaak zo respectloos dat de kaken schaamrood kleuren.

Omdat kennisoverdracht sterk locatiegebonden is, zouden de Europese en Nederlandse kenniscentra juist moeten worden versterkt door de komst van talentrijke niet-Europeanen. Een diploma van Bologna, Heidelberg of Leiden is echter weinig waard in vergelijking met dat van Harvard, Stanford of Yale. De decennialange verwaarlozing van de kennisinfrastructuur zal Europa opbreken. Alleen na drastische investeringen in die infrastructuur kan de talentrijke Braziliaan, Chinees of Indiër naar Europa worden gelokt.

Dit is een Europees vraagstuk. De naar binnen gekeerde, anti-Europese en anti-elitaire houding van het kabinet getuigt van een struisvogelmentaliteit. De enorme problemen die vergrijzing de Europese en Nederlandse samenleving oplevert, vragen juist om beleid dat niet xenofoob en vooral niet anti-elitair is.

Steven Brakman is hoogleraar economie aan de Rijksuniversiteit Groningen en Arjen van Witteloostuijn aan de universiteiten in Antwerpen, Tilburg en Utrecht.