Na 6 maart 2002 werd het incident de norm in de politiek

Redacteur van NRC Handelsblad

In de allervroegste ochtend van donderdag 7 maart 2002 viel mijn wereldbeeld aan diggelen. Pas die nacht begreep ik dat in Nederland de culture wars nu waren begonnen en dat de politieke meningsvorming voortaan zou worden gedomineerd door wraakzucht, wraak op een geschiedenis van decennia.

Kort na middernacht bespraken de nationale partijleiders op televisie de uitslag van de gemeenteraadsverkiezingen van woensdag 6 maart. Circa 875.000 kijkers, bijna 10 procent van het electoraat dat was opgekomen, zagen toen live hoe PvdA-voorman Ad Melkert en VVD-collega Hans Dijkstal oog in oog met Pim Fortuyn, de uitdager van het establishment van Paars, uit hun rol vielen en zichzelf immense schade toebrachten.

Deze glorieuze afgang en opkomst was een sleutelmoment in het 21ste eeuwse Nederland. In nog geen half uur werd duidelijk dat de man die zich eerder al als de nieuwe premier had gepresenteerd, niet blufte.

Krap twee maanden later was Fortuyn dood. Vermoord. Wat zich in de nacht van 6 op 7 maart al aandiende, kwam na die fatale zesde mei in een stroomversnelling. De metamorfose van het politieke discours zou onstuitbaar doorgaan. Natuurlijk, iedereen weet dat de kiezer toen op drift raakte en dat de toon van het debat onmatiger werd. Minder bekend is dat er ook iets veranderde in de manier waarop er over maatschappelijke kwesties wordt gesproken. Vóór maart 2002 werd het debat grotendeels bepaald door algemene ideeën over problemen en oplossingen. De ervaringen van de burgers zorgden daarbij hooguit voor input. De politiek ontfermde zich over de output. Na maart 2002 werd het debat overwoekerd door de allerindividueelste expressie van de allerindividueelste emoties. Het incident werd de norm. Wie nu ontkent dat één geval niet alles zegt over alle andere gevallen wordt gezien als een ‘linkse kerkganger’ die meedoet aan een samenzwering tegen het volk. De politiek is zo in de greep geraakt van ‘reïficatie’.

Reïficatie is de neiging om amorfe en vaak statistische grootheden voor het gemak terug te brengen tot kant-en-klare, stoffelijke dingen. De ongrijpbare Jan Modaal werd zo ooit door De Haagse Post gereïficeerd tot de tastbare Piet Bodemeijer. Dat was en is een oorbare journalistieke truc om abstracte waarheden te verhelderen door ze een concreet gezicht te geven. In de politieke arena gebeurde dat voor 2002 ook wel, zoals met de echte stratenmaker van VVD-leider Hans Wiegel en met de virtuele Jan Splinter van PvdA’er Marcel van Dam, maar daar bleef het bij – behalve campagne voeren kun je er verder vrij weinig mee.

Nu is reïficatie gemeengoed. Complexe sociale kwesties worden gereduceerd tot man en paard. Wie op schoolsuccessen van moslimmeisjes wijst, moet antwoord geven op vragen over de handel en wandel van scooterjongens. Wie aandacht vraagt voor de burgemeester van Slotervaart, krijgt die van Gouda om zijn oren.

Geen misverstand. In de jaren zeventig waren er ook mensen die het debat doodsloegen met dit soort trucjes en de progressieve gemeente was toen ook niet altijd uit op tegenspraak en dialoog. Maar vaak had die dominante groep wel een hoog niveau. Denk aan Abram de Swaan, Renate Rubinstein of Kees Schuijt. Soms ging het er ruiger aan toe. Denk aan Piet Grijs en andere aliassen van Hugo Brandt Corstius. Hetzelfde gold indertijd voor het politieke domein. Gelijkhebbers als Jan Nagel (PvdA) en Marcus Bakker (CPN) konden een superieur toontje aanslaan dat op het cynische af was, maar er waren ook politici als Joop Voogd (PvdA) en Hans van Mierlo (D66).

Indertijd heb ook ik, geboren in 1956 en getogen in Amsterdam, mij onvoldoende bekommerd om medeburgers die zich gemangeld voelden door de spraakmakende gemeente, wellicht omdat ik zelf op goede voet verkeerde met bijvoorbeeld Frank de Grave, die toen bewust en tegen de tijdgeest in actief werd in de JOVD en de VVD. Toch heb ik de indruk dat er in die jaren meer dialoog was, zeker als de gelijkhebbers zich wat koest moesten houden. Nu is er geen gein meer te bekennen. De reïficatie is geen trucje meer, maar bloedige ernst. Dat wijst op een revolte in de meningsvorming.

Omwentelingen hebben over het algemeen pas kans van slagen als de elite in eigen kring verdeeld raakt en dus niet meer in staat is de maatschappelijke orde te bewaken. Welnu. Zo’n splitsing binnen de elite heeft zich in 2002 voorgedaan. In weerwil van zijn imago was Pim Fortuyn een klassieke dissident uit de elite zelf. Geert Wilders vervult een vergelijkbare rol, als pleitbezorger van de middenklasse die zich in de steek gelaten voelt door het establishment.

Zoals altijd bij schisma’s binnen de elite maken de uitdagers gebruik van de mythe dat zij altijd de waarheid spreken en de anderen dus liegen. Wie oppert dat de zon schijnt, krijgt dus het verwijt dat hij schandalig genoeg ontkent dat het gisteren regende. Wie op de cijfers van het CBS wijst, krijgt te horen dat Henk en Ingrid daaraan geen boodschap hebben. De vox populi weet het per definitie beter dan het CBS. De eerste is echt, de tweede een leugenmachine van de elite.

Met zo veel onbeschaamde reïficatie zou een student sociologie zijn bul nooit halen. In de politiek staat ze sinds 7 maart 2002 garant voor tientallen parlementszetels. Perceptie is waarheid geworden, feitelijkheid een complot.