Koor, orkestje en een glitterpak

Een journalist moet schrijven over de ‘culturele’ festiviteiten ter ere van de oergod Saturnus.

Wat hij die avond aantreft valt nog lang niet mee.

A man dressed up as an ancient Roman soldier poses in front of Rome's teatro Marcello (Theater of Marcellus) on April 19, 2008c in Rome, as actors play a wedding ceremony of the ancient Rome to celebrated the anniversary of the legendary foundation of the city (April 21 753 B.C). AFP PHOTO / Filippo Monteforte
A man dressed up as an ancient Roman soldier poses in front of Rome's teatro Marcello (Theater of Marcellus) on April 19, 2008c in Rome, as actors play a wedding ceremony of the ancient Rome to celebrated the anniversary of the legendary foundation of the city (April 21 753 B.C). AFP PHOTO / Filippo Monteforte AFP

Nooit had ik kunnen denken dat het einde van de republiek en de opkomst van Augustus, nu 27 jaar geleden, mijn leven zo totaal zouden veranderen. Ooit was ik politiek verslaggever, maar de eerste keizer van het Romeinse Rijk heeft het mij onmogelijk gemaakt objectief over zijn optreden te schrijven. Als ik opteken wat ik werkelijk van hem denk, zal de geheime politie mij weldra van mijn bed lichten. Daarom heb ik mij laten overplaatsen van de politieke naar de kunstredactie. Het liefst was ik helemaal weggegaan bij de krant om mij volledig te wijden aan literaire activiteiten. Dan was ik mij gaan verdiepen in Livius’ omvangrijke geschiedenis van Rome vanaf de stichting van de stad, de prachtige gedichten van Horatius en Ovidius of de redevoeringen van Cicero. Maar het schrijven van losse artikelen levert nu eenmaal niet genoeg op om van te kunnen leven en mijn vader is geen senator die mij financieel kan ondersteunen. Dus schik ik mij in mijn lot en doe alles wat mijn hoofdredacteur mij opdraagt.

Gisteravond moest ik in de kou de straat op om een reportage te maken van de ‘culturele’ festiviteiten ter ere van de oergod Saturnus. Men had in de redactievergadering besloten dat ik de grote toneelvoorstelling in het Theater van Marcellus zou verslaan. De collega’s van de sportredactie, die altijd hetzelfde schrijven over wagenrennen of gladiatorengevechten, hadden mij meewarig aangekeken. Ze vinden mij elitair en houden niet van mijn culturele smaak. Ze weten dat ik een liefhebber ben van de tragedies van Aeschylus, Sophocles en Euripides, waarin ik mij urenlang kan verliezen. Zij lachen er alleen maar om.

Vanuit mijn eenvoudige appartement in de volkswijk achter de Palatijn, waar de senatoren wonen, liep ik richting Theater van Marcellus. Onderweg kwam ik duizenden feestende mensen tegen, dronken van vreugde, maar meer nog van de rijkelijk geconsumeerde wijn. Ze hadden het alleen maar over de wagenrennen van die middag en scandeerden luid de naam van hun favoriete menner Felix. Even verderop kwam ik terecht in een groepje supporters, die duidelijk minder vrolijk gestemd waren, want hun renstal had verloren. Ze lieten dit blijken door iedereen die hun pad kruiste uit te schelden en te bespugen.

Toen ik aankwam bij het theater, had zich daar al een grote menigte verzameld, in afwachting van het moment waarop de toegangshekken zouden worden geopend. Ik nam plaats op de perstribune en keek rond of ik nog bekenden zag. Tot mijn verbazing ontwaarde ik Maecenas, de steenrijke sponsor van schrijvers en dichters, en een persoonlijke vriend van de keizer. Lang geleden hadden we tijdens een symposium uitgebreid gesproken over de teloorgang van het ‘grote toneel’. Maecenas was toen van oordeel dat de nieuw aangetreden Augustus er in zou slagen kunst en cultuur op een hoger plan te brengen.

Voordat ik hem kon vragen of hij er nog zo over dacht, begon de voorstelling. Terwijl een orkestje muziek speelde die pijn deed aan mijn oren, kwamen twee mimespelers het toneel op. Hun pogingen om het publiek te vermaken en aan het lachen te krijgen waren aandoenlijk. Zwaaiend met hun armen probeerden ze zonder woorden allerlei thema’s uit het dagelijks leven uit te beelden: liefde, echtbreuk, leugen en bedrog. Hun ‘topacts’ gingen over miljonairs en over ontucht. De plot van beide stukken ontging mij. De meeste toeschouwers blijkbaar ook, want ze maakten veel misbaar. Enkelen begonnen te schreeuwen ‘geef ons maar wilde dieren’, anderen ‘wij willen boksers of gladiatoren’. Eerst begreep ik niet wat ze precies bedoelden, maar Maecenas legde mij uit dat ze spijt hadden dat ze die middag niet naar de gladiatorenshow of de wagenrennen waren gegaan.

Toen het publiek enigszins was gekalmeerd, betrad een pantomimespeler het toneel. In zijn glitterpak zag hij eruit als een echte ‘topper’. Begeleid door het orkestje en een koor van luchtig geklede jongens en meisjes nam hij enkele Romeinse senatoren op de korrel en zong populaire liederen. Toen hij de eerste woorden van de tophit ‘Liefde overwint alles’ inzette, stond het publiek massaal op en zong met zwaaiende armen de tekst uit volle borst mee. Zo ging het de hele avond door. De ene hit volgde op de andere. De mensen konden er geen genoeg van krijgen en bleven maar zingen.

Het was voor mij één grote kwelling. Na de voorstelling praatte ik nog wat na met Maecenas en vroeg hem of hij een verklaring had waarom dit platte vermaak zoveel publiek trok. Zijn antwoord kwam er op neer dat Augustus uit politieke overwegingen had gekozen voor de leuze ‘Brood en Spelen’. Het volk was voor hem een politieke barometer. Aan hun reacties kon hij zien hoe het met zijn populariteit was gesteld. Als hij de toeschouwers een voorstelling van de tragedies Antigone of De Perzen zou voorschotelen, zouden ze hem ongetwijfeld massaal uitjoelen. Hij keek mij strak aan, toen hij zei: „Als jij vindt dat er betere stukken op de planken moeten worden gebracht, probeer dan je elitaire senatorenvriendjes over te halen met geld over de brug te komen. Ik kan niet én schrijvers sponsoren én toneelopvoeringen financieren.” Daarin moest ik hem gelijk geven.

Somber gestemd liep ik terug naar huis, vast van plan een vlammend artikel te schrijven over sponsoring van echte kunst. Het is er helaas nog niet van gekomen.