Die Friezen zijn net schipbreukelingen

Soms komt het zeewater zo hoog dat alle Friezen op een heuveltje moeten gaan zitten.

Maar het enige ongemak is dat het vee het zoute water niet kan drinken.

Een dobbe bij de terp Hogebeintum. Foto Rob Wetzer Foto van een 'dobbe' in het Friese Marrum (Zeedijk). Foto: Rob Wetzer Voor nrc.next kerstspecial.
Een dobbe bij de terp Hogebeintum. Foto Rob Wetzer Foto van een 'dobbe' in het Friese Marrum (Zeedijk). Foto: Rob Wetzer Voor nrc.next kerstspecial.

Wannéér het water weer tegen de randen van zijn terp zal klotsen, dat weet de Fries niet. Soms gebeurt het één keer per herfst of winter, maar meestal vaker. Soms kan het ineens ook zomaar een paar seizoenen duren, voordat de zee weer zo ver komt. Soms is het in de winter gewoon te koud en bevriest alles.

Maar dát het water eens in de zoveel tijd over de weidse vlakte tot aan zijn heuveldorp komt, dat staat vast. Als er een forse wind staat die in de richting van de Chauken blaast, en als de stroming flink is, neemt de Fries het vee uit voorzorg mee zijn terp op.

De terp van de Fries is hoog. De hoogste uit de omgeving, schijnt, maar hij woont dan ook redelijk dicht bij de zeewaterlijn. Natuurlijk bouwde de Fries zijn terp niet dáár waar de zee hoe dan ook twee keer per dag het land beheerst. Zo dom is hij nou ook weer niet. Als het water op zijn laagst staat, is de waterlijn ongeveer een halve dag lopen vanaf de terp. Dat valt ook binnen de regel van zijn stam: in één dagmars moet de kust te bereiken zijn, om gezamenlijk het gebied te kunnen verdedigen.

De Fries woont er met zijn eigen gezin en drie andere families. Zijn huis heeft hij gemaakt van kleigrond, net als de terp zelf. Wilgentenen fungeerde als basis voor de muren. Als het buiten zo koud is als nu, met zo’n straffe wind, dan staat zijn vee ook standaard binnen. Geeft gelijk wat warmte aan de rest van het huis.

Ondanks het barre winterseizoen gaat de handel gewoon door. Dus de Fries heeft heus wel gehoord dat er in de omgeving een Romeinse commandant schijnt rond te lopen die hen heeft beschimpt. Gaius Plinius Secundus, ofzoiets. Hij schijnt het Friese volk „meelijwekkend” genoemd te hebben. „Als de zee over het land is gestroomd, zien ze eruit als zeevaarders. En ze lijken op schipbreukelingen als het water weer gezakt is.”

Schipbreukelingen? Zíj? Misschien lijkt dat zo, voor die Romeinen met hun mooie, warme bontkleding en hun imponerende wapentuig. Maar de Fries weet wel beter. Hij leeft al jaren op die grens van land en zee, omdat de kleigrond er vruchtbaar is. Voor die prachtige grond neemt de Fries het risico van de overstroming op de koop toe. De zoute klei leent zich perfect als weide voor zijn vee. Koeien gedijen er goed op, maar schapen nog beter. In de lente leggen weidevogels er hun eieren, en ook gewassen als tarwe doen het prima op de zoute ondergrond.

Het enige nadeel van het zoute water is dat het vee er niet van kan drinken. Daarom heeft de Fries dobben gemaakt, kuilen waarin hij het regenwater opvangt. Op de terp zitten zulke drinkdobben. Ook op een dagdeel lopen, bij de weides waar het vee graast, staat een dergelijke omdijking om het regenwater in op te vangen. Dan hoeft het vee in de zomer niet steeds terug mee naar huis.

De Romeinen zitten er met wel meer zaken naast, weet de Fries. Ze schijnen te denken dat hier geen bomen meer staan, omdat de woeste zee die heeft weggemaaid. Maar in werkelijkheid hebben hier nooit bomen gegroeid. Daar geeft het zeewater geen gelegenheid voor. Op zoute grond willen struiken niet groeien.

Dus is de Fries niets anders gewend dan vlakte. Zo ver als de horizon strekt. Op wat glooiing in het landschap na, waar de kwelders van de zee voor zorgen. Bovenop die oude zeekust verbouwt de Fries graag zijn gewassen; die kwelders liggen net iets hoger en overstromen dus minder snel. En kwelders zijn handig om je te oriënteren bij de jacht. Al is dat ook opletten geblazen, want het zeewater zet iedere keer opnieuw klei- of zanddelen af, als het water zich terugtrekt na hoogtij. De kwelders veranderen continu van vorm.

Overdrijven is ook een kunst die de Romeinen beheersen, vindt de Fries. „Het lot laat veel mensen in leven om ze te straffen”, schijnt Plinius over De Friezen en hun leefgebied gezegd te hebben. „In hun land blaast altijd een koude, gure wind dwars door hun tochtige huizen.” Ja, natuurlijk is het hier koud. Er is amper beschutting. Maar de Fries wéét dat de winter komt, dus hij zorgt in de oogstseizoenen voor flink wat proviand. Hij zout het vlees, en bergt gras en zeekraal of zeeweegbree op zolder voor het vee.

Bovendien biedt de winter ook voordelen: bij het jagen zijn de sporen van dieren veel gemakkelijker te zien in de sneeuw. Een dagdeel zuidwaarts loopt de Fries kans om bevers, marters en zelfs herten of zwijnen te pakken te krijgen.

En als het flink vriest, dan wordt de Fries ook weer mobieler. Dan bindt hij beenderen van dood vee onder zijn voeten en vliegt daarmee zó over het ijs.

Met dank aan Louis Dijkstra, voormalig districtshoofd van natuurorganisatie It Fryske Gea en schrijver van het boek ‘Friezen in het jaar 28’. De terp Hogebeintum staat er nog en is te bezoeken.