9/11: Ik ging naar bed als Marokkaanse Nederlander en werd wakker als moslim

Hoofd assetmanagement Rijksgebouwendienst en voorzitter Samenwerkingsverband Marokkaanse Nederlanders

Het was een merkwaardige dag, 11 september 2001. Vliegtuigen die het WTC en het Pentagon invlogen had ik nog nooit meegemaakt. Met een ongemakkelijk en onwerkelijk gevoel heb ik die middag naar de tv gestaard. Later op die dag volgde de ene na de andere kwalificatie. „Amerika is in het hart getroffen”, is mij bijgebleven. Maar ook een uitspraak van Bush, „Either you are with us or you are with the terrorists”, gaf mij een ongemakkelijk gevoel.

Het toeval wilde dat mijn vrouw op 11 september 2001 uitgerekend was van ons tweede kind. Gelukkig werd hij twee dagen te laat geboren. Geen beste periode om geboren te worden, maar het feit dat kinderen pas vanaf een jaar of drie onthouden wat ze meemaken, was geruststellend.

In de daaropvolgende dagen ging Amerika op zoek naar de schuldigen, maar bovenal naar zichzelf. Verstandige Amerikanen probeerden een verklaring te zoeken voor de haat die in het Midden-Oosten ontstaan was jegens de Amerikanen.

Intussen barstte in Nederland ook de discussie los. Deskundigen van Clingendael draaiden een vijfploegendienst. Uit allerlei gaten en hoeken kropen islamkenners om de aanslagen te verklaren. De termen vlogen je om de oren: moslimfundamentalisten, jihadstrijders, kutmarokkanen, haatimams, buurtvaders, polderislam en troetelimam.

Na 11 september 2001 was Nederland verdeeld in moslims en niet-moslims. Ik ging naar bed als een participerende Nederlandse burger en werd wakker als moslim. Ik was ook die aardige Marokkaanse buurman die wel eens koekjes of munt kwam brengen, maar in één nacht was ik getransformeerd in een-niet-te-vertrouwen-moslim.

Alles werd uit de kast gehaald om te laten zien dat ook Nederlandse moslims met de terroristen heulden. Een onderzoek van een ‘kwaliteitskrant’ had als conclusie dat de helft van de moslims in Nederland ‘begrip’ had voor de aanslagen. Weer andere journalisten maakten melding van opgeschoten Marokkaanse knaapjes in Ede die juichten als reactie op de aanslagen. Kranten citeerden imams die in allerlei preken verwensingen aan het adres van homo’s uitten.

Columnisten deden er een schepje bovenop, middels open brieven waarin de collectieve schuld werd geïntroduceerd. Kortom, dag in dag uit werd er negatief bericht over moslims en Marokkanen.

Dat inhakken op de identiteit van Marokkaanse Nederlanders miste zijn uitwerking niet. Steeds meer jonge vrouwen begonnen een hoofddoek te dragen. Steeds vaker zag ik jongemannen met een veelal vlassige baard. Zo af en toe weigerden ze vrouwen een hand te geven. Zij gaven uiting aan de hunkering van de Nederlandse samenleving om de moslim zichtbaar te laten zijn. Ze waren het zat om steeds maar weer dezelfde vragen te beantwoorden. Steeds maar weer dat gezeur over afkomst en loyaliteit.

Het was voor mij ook een frustrerende periode. Werkelijk alles kon er gezegd worden over moslims en Marokkanen. Dit leidde weer tot een groeiend wantrouwen. Het leek wel of er één miljoen moslims klaarstonden om Nederland over te nemen. Ik besloot mij te gaan inzetten voor een eerlijke en rechtvaardige samenleving. Te laten zien dat er ontzettend veel Marokkaanse Nederlanders zijn die meebouwen aan een gemeenschappelijk toekomst. Een toekomst waarin mijn Marokkaanse achtergrond wordt gezien als een verrijking en waarvoor ik met trots kan uitkomen, omdat die deel uitmaakt van mijn identiteit. Ik realiseer mij dat er nog een lange weg te gaan is.