Waarheid bij de appeltaart

Jens Christian Grøndahl is niet alleen een schrijvende meester-psycholoog, maar ook een auteur die stamt uit de Scandina-vische traditie van het intieme. Margot Dijkgraaf ziet dat bevestigd in een nieuwe roman en in Grøndahls memoires.

Jens Christian Grondahl. Foto NRC, Maurice Boyer Amsterdam 15-12-2010 Jens Christian Grondahl Foto NRC H'Blad Maurice Boyer
Jens Christian Grondahl. Foto NRC, Maurice Boyer Amsterdam 15-12-2010 Jens Christian Grondahl Foto NRC H'Blad Maurice Boyer

Jens Christian Grøndahl: Dat weet je niet. Vertaald door Annelies van Hees. Meulenhoff. 204 blz. € 18,95

Jens Christian Grøndahl: Over een uur ontluiken de bomen. Memoires. Vertaald door Annelies van Hees. Meulenhoff. 173 blz. € 19,95

David, een Deense advocaat uit Kopenhagen, is op zakenreis in Londen. In de metro zit hij naast een meisje dat Hebreeuws leest, ‘goud op snee en een zwartleren band. Het was al heel wat jaren geleden dat hij in staat was geweest de hoekige tekens te duiden’. Het meisje stapt uit. ‘Een dikke man met een tulband en een volle baard nam meteen haar plaats in. Een restje warmte van haar dijen en billen moest hij wel voelen’.

Zo begint Dat weet je niet, de nieuwe roman van Jens Christian Grøndahl. Wie voor het eerst een boek van de Deense schrijver openslaat heeft het misschien niet in de gaten, maar de geoefende Grøndahl-lezer weet dat op de eerste bladzijde geen enkel woord bij toeval is beland. Ieder element verwijst naar de thematiek waar het in deze roman om zal draaien.

Grøndahl is niet alleen een schrijvende meesterpsycholoog, maar ook een auteur die stamt uit de Scandinavische traditie van het intieme. In zijn inmiddels aanzienlijke oeuvre buigt hij zich over de verwende, beschaafde, maar ongelukkige westerling die het zich in al zijn welvaart én in zijn wanhoop kan permitteren zich diep over zijn eigen gevoelens te buigen. Wanneer liep zijn of haar huwelijk mis? Hoe kon het gebeuren dat er diepe barsten kwamen in die ene vriendschap? Wat heeft ertoe geleid dat een zoon het verkeerde pad opging? Tot nu toe waren het dit soort sleutelvragen die Grøndahl in zijn werk stelde. Langzaam, meanderend, voerde hij zijn lezer met zijn filosoferende toon van het ene naar het andere personage, op zoek naar diens verleden, naar een verklaring voor zijn of haar verlies, verdriet of handelwijze.

Tot nu toe ook concentreerde Grøndahl zich – een enkele uitzondering daargelaten – op de binnenwereld van zijn personages, op de crisismomenten in hun leven, de bron voor hun gevoelens en overwegingen. Zelden raakte hij aan een maatschappelijk probleem of verbreedde hij anders dan heel indirect het perspectief van het individu. Bij Grøndahl was de buitenwereld er altijd wel, je kon hem horen door het open raam, maar de deur bleef gesloten.

In zijn nieuwe roman heeft hij de voordeur opengezet. Op een kier weliswaar, maar toch open. Heeft het te maken met het feit dat hij, zoals hij schrijft in zijn tegelijk met deze roman verschenen memoires, ‘met een beetje geluk en voorzichtigheid precies even over de helft van [zijn] leven is’? Heeft het opmaken van de tussenbalans hem een nieuwe weg doen inslaan? Opmerkelijk open is hij in die memoires over zijn onzekerheid als beginnend dichter, over zijn onvolwassen moeder die hij in de loop der jaren steeds meer als een dochter is gaan beschouwen, over zijn opofferingsgezinde vader en het desintegrerende gezin dat hij al opgroeiend achter zich liet.

Grøndahl begint zijn boek, dat is opgedragen aan zijn twee volwassen zonen en zijn twee jonge dochtertjes, op 1 december 1999, de dag dat hij ‘zich in één klap bevrijdde’ van zijn eerste huwelijk. Het eindigt in augustus 2009, een paar dagen nadat hij zijn laatste brief aan journalist en criticus Michaël Zeeman op de post deed, de overleden vriend aan wie hij Dat weet je niet heeft opgedragen.

In de tussentijd heeft Grøndahl ons enkele persoonlijke sleutels gegeven tot zijn romans. Zijn verblijf in een kibboets in Israël bijvoorbeeld, zijn fascinatie voor het joodse – een leidraad die ook door zijn nieuwe roman loopt. In zijn memoires schrijft hij bijvoorbeeld dat een jonge vrouw hem ooit vertelde ‘dat ze joods was’, maar ‘niets wist’ over de godsdienst van haar ouders. ‘Het enige dat haar aan haar identiteit herinnerde, waren de hakenkruisen die af en toe op haar brievenbus verschenen’.

Dat is precies wat de hoofdpersoon overkomt van Dat weet je niet, David Fischer, een advocaat van joodse origine. Zijn vader, geboren in Vilnius, was een dubieuze handelaar in tweedehands spullen, die moeite had zijn gezin te onderhouden. Aan het einde van zijn leven vond hij troost in de joodse gemeenschap, waar David, uit teleurstelling en schaamte over zijn vaders gedrag, nooit iets mee te maken heeft willen hebben. Niet voor niets trouwde hij met een ‘sjikse’, een Engelse kunstenares, waardoor de breuk met zijn milieu en zijn afkomst een feit werd. Emma, inmiddels 25 jaar Davids vrouw, herkent die ‘onwankelbare wil’ van haar man. Door zijn ‘jodenneus’ associeert zij hem met ‘een tapir in doelgerichte discipline’. Hun huwelijk is stabiel: hij werkt hard, respecteert haar teruggetrokkenheid. Zij brengt haar dagen door in haar atelier, ook al schildert ze nauwelijks nog.

Dan kondigt hun drieëntwintigjarige dochter, Zoë, eveneens kunstenares, aan dat ze hen wil voorstellen aan de man van haar leven: Nabeel, een Pakistaanse student medicijnen. Ogenschijnlijk verandert er niets. David en Emma tonen zich niet geschokt, verontrust of afkeurend. Maar toch verandert het alles. De problemen van de buitenwereld dringen binnen en tasten andere, onuitgesproken gevoeligheden aan. Grøndahl verlaat zijn gebruikelijke verhalende vertelperspectief en schrijft dialogen – twee. En ze zijn cruciaal.

De eerste wordt gevoerd rond de eend en de appeltaart, als Zoë haar vriend mee naar huis neemt om hem aan haar ouders voor te stellen. Ineens vallen er grote woorden, worden begrippen uitgesproken die normaliter in de marge van hun leven blijven toegedekt. Emma verklaart zich ‘de enige in dit gezelschap die christen is’. David zegt dat hij ‘tegen Israël’ is. ‘Palestina zou in een gewoon land moeten veranderen zonder bijzondere rechten voor joden’. Nabeel verbaast zich erover dat ze ‘kerst vieren omdat Jezus geboren is’, ‘en dan zie je alleen maar kerstkabouters en hartjes’. Het is een gesprek dat David en Emma, wier huwelijk alles heeft overleefd, uit elkaar drijft. Waarom zijn mensen ‘zo intens met hun roots bezig’, vraag David zich af. ‘Waar ze vandaan komen, in godsnaam. Alsof het niet interessanter is waar ze naartoe op weg zijn’.

Het tweede, ontroerende kerngesprek brengt David en Nabeels vader bij elkaar. Mansoor, van beroep architect, is al jaren taxichauffeur in Kopenhagen. Ze ontmoetten elkaar bij de opening van Zoës eerste expositie: een video-installatie waarin Zoë en Nabeel zich naakt in en uit hun respectievelijke nationale vlaggen rollen. Beide vaders zijn knap ongelukkig met deze kunstuiting. Voorzichtig verkennen ze elkaars terrein. De een is ‘niet godsdienstig, zover ik weet’, de ander wel. De een mist de lach van zijn overleden vrouw, ‘de lach van een vogel’. De ander vraagt zich af waarom zijn vrouw eigenlijk maar één kind van hem wilde.

Zo komen de buitenwereld, de krantenberichten, de politieke tijdgeest heel dichtbij, dichterbij dan ooit. Maar Grøndahl zou Grøndahl niet zijn als het geen rimpelingen bleven in een bestaan dat alleen onderhuids heftig wordt geleefd.