Gij zult het verleden vergeten

Is vergeten van misdaden een optie om harmonieus samen te leven, is de vraag die de Duitse historicus Christian Meier zich stelt. Een vraag die na de eenwording weer actueel werd.

De kamer van een rechter in het Stasi-museum in de Berlijnse wijk Hohenschönhausen. Foto AP, Franka Bruns Blick in einen Haftrichterraum in der Gedenkstaette Berlin-Hohenschoenhausen fotografiert am Dienstag, 5. August 2008 in Berlin. Von 1951 bis 1989 nutzte die Stasi das Gefaengnis als zentrale Untersuchungshaftanstalt fuer sogenannte politische Staatsfeinde der DDR. (AP Photo/Franka Bruns) --- View of a room for the custodial judge inside the Berlin-Hohenschoenhausen Memorial photographed in Berlin, Tuesday, Aug. 5, 2008. From 1951 to 1989, the remand center was used by the East German Ministry of State Security "Stasi" as prison. (AP Photo/Franka Bruns)
De kamer van een rechter in het Stasi-museum in de Berlijnse wijk Hohenschönhausen. Foto AP, Franka Bruns Blick in einen Haftrichterraum in der Gedenkstaette Berlin-Hohenschoenhausen fotografiert am Dienstag, 5. August 2008 in Berlin. Von 1951 bis 1989 nutzte die Stasi das Gefaengnis als zentrale Untersuchungshaftanstalt fuer sogenannte politische Staatsfeinde der DDR. (AP Photo/Franka Bruns) --- View of a room for the custodial judge inside the Berlin-Hohenschoenhausen Memorial photographed in Berlin, Tuesday, Aug. 5, 2008. From 1951 to 1989, the remand center was used by the East German Ministry of State Security "Stasi" as prison. (AP Photo/Franka Bruns) ASSOCIATED PRESS

Christian Meier: Das Gebot zu vergessen und die Unabweisbarkeit des Erinnerns. Siedler Verlag, 159 blz. € 18,-

De roemruchte CSU-leider Franz Josef Strauss, niet bepaald de fijngevoeligste politicus van het naoorlogse Duitsland, zei in 1969 in een verkiezingsspeech: ‘Een volk dat zulke economische prestaties heeft geleverd, heeft er recht op over Auschwitz niets meer te willen horen.’ Kennelijk gold ‘Arbeit macht frei’ nog steeds, merkt de Duitse historicus Christian Meier sarcastisch op in Das Gebot zu vergessen und die Unabweisbarkeit des Erinnerns. Meiers boek is een grondige bewerking van een essay uit 1997, aangevuld met een beschouwing over de Duitse eenheid vanuit mentaal-historisch perspectief. Centrale vraag: is vergeten van de misdaden een optie om tot harmonieus samenleven te geraken?

Net als het ‘zand erover’ – om na een (burger)oorlog of een tirannie met een schone lei te beginnen en het gevaar van sociale desintegratie tengevolge van de roep om wraak te bezweren – kent het gebod om te vergeten een lange geschiedenis. Toen het bewind van de dertig tirannen in Athene in 403 v. Chr. ten val werd gebracht en de democratie hersteld, werd afgezien van een ingrijpende wraakoefening jegens al diegenen die de tirannie hadden gediend. Er gold een gebod tot amnestie, in de letterlijke betekenis van niet-herinnering.

Sindsdien maakte zo’n gebod deel uit van vele vredesverdragen. Nog in 1946 pleitte Churchill voor een ‘blessed act of oblivion’, een gezegend besluit tot vergetelheid. Maar al na WO I leek er gebroken te zijn met de amnesietraditie: het Verdrag van Versailles eiste dat allen, dat wil zeggen: alle Duitsers, die misdaden hadden begaan tegen het oorlogsrecht, berecht moesten worden. Maar tot uitvoering van die bepaling kwam het niet. Zelfs keizer Wilhem II ontsnapte in zijn Nederlandse ballingsoord de dans.

Dat de misdaden van het naziregime niet met een welwillend ‘zand erover’ konden worden afgedaan, stond buiten kijf. Maar eind 1945 al bleek dat een campagne tot volledige denazificering tot mislukken gedoemd was, wilde er van enige maatschappelijke dynamiek in de bezettingszones sprake kunnen zijn. De hoofdschuldigen moesten worden berecht, vonden ook de Duitsers, maar het gros meende dat hun het recht toekwam zich in Hitler te hebben mogen vergissen. De eerste naoorlogse jaren kenmerkten zich door een Duitse ‘exculpatie-solidariteit’, die gestalte kreeg in de Persilscheine, witwasverklaringen die Duitsers zonder navraag jegens elkaar aflegden.

Maar Meier bewijst dat het gebod te vergeten nooit op iets anders betrekking heeft gehad dan op misdaden die de strijdende partijen jegens elkaar hadden begaan. ‘Auschwitz’ was een misdaad die zich in aard en omvang met geen andere laat vergelijken en bovendien geen oorlogsmisdaad, behalve dat die in oorlogstijd werd begaan. Die in vergetelheid onderdompelen is niets minder dan ontkenning van krankzinnig racisme, van collectieve aanvaarding van massamoord op weerlozen en uiteindelijk van de hele genocide als zodanig.

Toch was het pas de generatie van ‘de genade van de late geboorte’ (Helmut Kohl) die het nie wieder in de jaren zestig vertaalde tot een eis van grondig zelfonderzoek van hun ouders en berechting van de moordenaars.

Meier ziet in de Historikerstreit van de jaren tachtig en negentig, toen sommige historici de uniciteit van de Holocaust betwistten en vergelijkingen trokken met de Goelag, een poging tot ondermijning van wat zij als onterecht moreel absolutisme van de genade-generatie zagen. Meier maakt korte metten met die relativering. Hij deed dat al in die eerdere versie van zijn essay en droeg daarmee in niet geringe mate bij tot beslechting van dat debat.

Door zich als antifascistische staat te betitelen, koos de DDR haar eigen weg naar mentale zelfoverwinning op de nazi-geschiedenis. Niet vergeten, maar veroordelen was weliswaar de boodschap, maar die gold uitsluitend de Duitsers aan de andere kant van de Muur en diende vooral zelflegitimatie. De DDR werd immers geleid door een partijkader dat in 1945 was teruggekeerd uit Moskouse ballingschap of uit de concentratiekampen. Maar drüben, daar zaten ze nog, de ex-nazi’s. In 1989 had dat verwijt zijn actuele waarde verloren. De richting van de verwijten keerde om: hoe eenwording bewerkstelligen met een Oost-Duitsland, waarin zo velen mitschuldig zijn aan Stasi-misdaden?

Oost-Duitsers stellen cynisch vast dat de grondige schoonmaak van de maatschappelijke elite die na 1945 in West-Duitsland niet had plaatsgehad, na 1990 wel moest gebeuren in de nieuwe bondsstaten: in alle maatschappelijke sectoren namen West-Duitsers binnen enkele jaren de hoge posities over. Wie als Ossi zijn nek wil uitsteken, controleert liever eerst of zijn naam niet in een Stasi-dossier staat. Van zand erover geen sprake.

Toch wordt vergeten. De eenwording resulteerde niet in een samensmelting, maar in een uitbreiding van West-Duitsland. De DDR-samenleving verdwijnt snel in de vergetelheid, inclusief haar verworvenheden. Het enige wat de Oost-Duitsers hebben weten te behouden is hun Ampelmännchen (stoplicht-ikoontje). Ostalgie naar de geborgenheid die de DDR bij alle onderdrukking óók bood, wordt weggehoond. Wir sind ein Volk, zei de Ossi tegen de Wessi, om als antwoord te krijgen: Wir auch, aldus Meiers pregnante samenvatting van die attitude. Met het scheppen van harmonieuze verhoudingen heeft dit vergeten niets te maken, maar veel met de West-Duitse opvatting dat alles wat de DDR bood inferieur was, haar onderdanen incluis. Daarmee dreigt het naoorlogse Duitsland zich een tweede keer te onttrekken aan verwerking van zijn geschiedenis.