Ghenie toont zijn sombere talent

Adrian Ghenies expositie is als een tocht door een verlaten villa die bevolkt wordt door geesten.

Te zien zijn Duchamp, Hitler, Göring en Elvis.

Laat de zon blakeren en zwarte klei verpulveren. Meng dat met ingedroogd eigeel, afgeschraapte roest en het afgebladderde oranjerood van een oude braadpan en je krijgt de kleuren op het palet van de jonge Roemeense schilder Adrian Ghenie. Somber zijn die kleuren en vol van dreiging.

Ghenie, geboren in 1977, maakt deel uit van een jonge garde kunstenaars (jonger dan de in Nederland inmiddels bekende Roemeense tekenaar Dan Perjovschi) die zetelt in het Roemeense Cluj, maar sinds een jaar of drie, vier met furore het internationale kunstpodium betreedt. Anders dan stads- en leeftijdsgenoten Mircea Cantor en Victor Man beperkt Ghenie zich vooral tot schilderen. Dat doet hij met verbluffend compositorisch vernuft, onbekommerd plezier en veel succes. Ghenies werk is inmiddels opgenomen in tal van grote Japanse, Amerikaanse en Duitse particuliere verzamelingen.

En nu is er dan ook een eerste solotentoonstelling, in het Stedelijk Museum voor Actuele Kunst (SMAK) in het Belgische Gent. Die tentoonstelling, met zo’n twintig schilderijen en een in elkaar getimmerde Dada-Room, is als een tocht door een verlaten villa die bevolkt wordt door geesten, sommigen bekend, anderen niet. De bekenden komen uit de kunstgeschiedenis, de politiek en uit Ghenies leven zelf. Duchamp komt langs – levend, maar ook als opgebaard lijk. Ghenies vader figureert als Elvis Presley, met een lichaam waaruit alle diepte lijkt te zijn weggesneden. Hitler is er, evenals kunstverzamelaar Göring, met een gezicht dat maar niet scherp wil worden.

Er zijn kamers met kisten waarin figuren staan, mens of dier, soms een flap over hun hoofd. Er zijn landschappen met wolven, barre akkers waar stukken van dieren uit beeld springen en een atoomwolk stoffig in de verte omhoog rijst. En er is Ghenie zelf: als aap, als overgevend zoogdier.

Natuurlijk trekken die motieven de aandacht. Hier is een kunstenaar aan het woord die iets wil zeggen over zijn inspiratiebronnen – Dada én Duchamp. Maar waarom zou je als jonge kunstenaar die de dictatuur van Ceausescu maar kort heeft meegemaakt, beroemde slechteriken schilderen of figuren die op gettoslachtoffers lijken? Omdat Roemenië zelf ‘fout’ was? Omdat de afrekening met de geschiedenis nog in de kinderschoenen staat? Of omdat er altijd een gretig publiek is voor de verbeelding van de Tweede Wereldoorlog in de kunst?

Het gevaar van deze ‘oorlogs’-schilderijen is dat ze al gauw aan effectbejag doen denken. En dat is helemaal niet nodig. Want Ghenie heeft talent. De beste van zijn schilderijen – zoals het bijna negen vierkante meter grote Nickelodeon (2008) of Turning Point uit 2009 (niet op de tentoonstelling te zien, maar wel in de catalogus afgedrukt) geven geen duidelijke, historische referentie.

In Nickelodeon staat een groep mensen in een ruimte met planken. De figuren maken geen contact met elkaar, hun gezichten zijn onherkenbaar verborgen achter iets wat lijkt op een deeglap, ze zijn vervormd tot weerbarstige wolken en soms lijkt het alsof een windvlaag met tornadokracht over de nog natte verf heeft geblazen. De mensen staan in een schuur op kale planken. Er is een raam, maar het uitzicht is net zo somber als het interieur. Stap je achteruit, dan lijkt de ruimte bijna abstract, opgebouwd uit strepen, rechthoeken en vierkanten.

Op sommige plaatsen is de verf vet op het doek gesmeerd, maar elders is de schilder extreem gierig geweest en heeft hij de verf weggekrabd, weggevijld en weggeveegd. Niets blijft, alles verandert. Deze doeken zonder duidelijke geschiedenis behoren tot de beste die Ghenie maakt. Met hun sombere kleurstelling en grauwe figuranten verwijzen ze naar het verleden, naar het ongenadig verstrijken van de tijd en het verdwijnen van uiteindelijk alles, maar de schilder laat het mysterie daarvan onaangeroerd en dus intact.

tentoonstelling

Adrian Ghenie

T/m 27 maart 2011. S.M.A.K., Citadelpark, Gent. www.smak.be***