De versponzing van de zee

In de Caraïbische Zee zag zeebioloog Joseph Pawlik een flinke toename van het aantal sponzen.

Maar sponzen kunnen niet alle soorten terughalen die normaal in koralen huizen.

Al sinds 1997 houdt de Amerikaanse zeebioloog Joseph Pawlik bij wat er verdwijnt en verschijnt in zijn ‘onderwatertuintjes’ voor de kust bij Key Largo aan de zuidwestpunt van Florida. Twee keer per jaar meet hij met zijn medewerkers alle nieuwe en oude sponzen op zes cirkelvormige stukken zeebodem van 16 meter doorsnede. Het koraal is er zoals op zoveel plekken in de Caraïbische Zee grotendeels afgestorven, maar Pawlik ziet nu dat sponzen de plaats innemen van het koraal.

„In de periode van 2000 tot 2006 zagen we een toename van 46 procent van het aantal jonge sponsjes dat zich aan de bodem hecht”, zegt Pawlik. De onderzoeker van de University of North Carolina in Wilmington was vorige week een van de sprekers op een internationaal congres over koraalonderzoek in Wageningen. „Twee weken geleden zijn we weer gaan kijken”, zegt hij, „En nog steeds zien we het toenemen. Fantastisch!”

Pawlik richt zijn onderzoek op de grote bekerspons Xestospongia muta, in het Engels great barrel sponge. Het is de grootste sponzensoort ter wereld. Als de zwemmende larve van dit dier zich als klein organisme aan de bodem hecht is het zo groot als een duimnagel, maar de grote bekerspons kan uitgroeien tot het formaat van een olievat en groter.

Sponzen filteren hun voedsel uit zeewater. Via een netwerk van talloze kanaaltjes die door hun lichaam lopen, houden zij een waterstroom in stand, die via de grote centrale uitstroomopening weer naar buiten komt. Het zijn dieren, maar wel heel primitieve. Ze hebben geen zenuwstelsel of organen en zijn hun hele leven gebonden aan de plek waar ze zich als larve vestigden.

Waar koraal verdwijnt, verschijnen sponzen, zegt Pawlik. Van de oorspronkelijke oppervlakte aan koraal in de Caraïbische Zee is nog maar 10 procent over. Sinds de jaren zeventig van de vorige eeuw zijn de koralen er in verschillende stappen hard achteruit gegaan, voornamelijk omdat zij getroffen zijn door diverse ziekten. De voorheen dominante steenkoralen, zoals elandgeweikoraal (Acropora palmata) en hertshoornkoraal (Acropora cervicornis), zijn vrijwel verdwenen en staan nu op de rode lijst van bedreigde diersoorten.

Steenkoralen zijn rifbouwers. Hun kalkskelet laat over duizenden jaren een ondiepe zeebodem van kalksteen achter. De riffen met al hun hoekjes en gaatjes zijn een aantrekkelijke leefomgeving voor allerlei andere organismen. Koraalriffen zijn bijzonder rijk aan vis.

Dat koraalriffen afsterven is een ecologische ramp, zegt Pawlik. „De organismen die overblijven zijn zeewier en zachte koralen als zeewaaiers en zeeveren. Of erger: blauwalgen, die tijdens hun bloei vaak het water vergiftigen.”

Maar er komen ook meer sponzen en dat geeft hoop, aldus Pawlik. „Sponzen bieden met hun grote centrale holte en kanaaltjes ook een aantrekkelijke leefomgeving voor kreeften, krabben en vissen. Een spons vormt een ecosysteem op zich. Daarin verschillen ze van algen, zeewier en zachte koralen, die geen stabiele leefomgeving kunnen bieden. In de Caraïben zijn veel riffen overbevist. Vissen zijn niet afhankelijk van het koraal; die doen het even goed op sponzen.”

Voor toeristische duikers hoeft het ook niet vervelend te zijn dat de Caraïben versponzen, zegt de Amerikaan lachend. „Sponzen hebben veel helderdere kleuren in vergelijking met veel koraalsoorten en ze hebben vaak interessante, fotogenieke vormen. Je ziet, ik probeer er maar het beste van te maken.”

Sponzenexpert Nicole de Voogd van natuurmuseum Naturalis in Leiden vindt Pawlik iets te optimistisch. „Door de opkomst van de sponzen neemt inderdaad de biomassa van het rif toe”, zegt ze, „maar als de koralen verdwijnen, gaat natuurlijk wel de biodiversiteit omlaag. Behalve de koralen en de algen die daarin leven, verdwijnen ook andere soorten. Koralen zijn hotels voor andere dieren, waarvan sommigen niet in sponzen leven. Als ik duik, zie ik het liefst sponzen én koralen.”

Op een geologische tijdsschaal bekeken, is het natuurlijk wel schadelijk dat er geen koraal meer is, geeft Pawlik toe. „Nieuwe riffen zullen niet worden gebouwd. Als de zeespiegel stijgt, zoals verwacht, zullen de koralen wellicht helemaal verdwijnen omdat ze licht en dus ondiep water nodig hebben. Sponzen zijn niet afhankelijk van intens zonlicht en kunnen dus in dieper water staan. Uiteindelijk zullen we geen ondiep water met riffen overhouden.”

Versponzing treedt niet alleen bij Florida, waar Pawlik onderzoek doet, maar in de hele Caraïben. „De Caraïbische Zee is één groot mengvat. Door de cirkelvormige stroming die er heerst, staan alle leefgebieden hier met elkaar in verbinding”, legt Pawlik uit. Elders, op koraalriffen in de Stille en Indische Oceaan, nemen sponzen nog niet toe.

Net als koralen hebben sponzen last van ziektes. Ze worden soms getroffen door de mysterieuze oranjebandziekte. Nooit is hiervoor een ziekteverwekker gevonden en besmettelijk lijkt het niet te zijn. Bij een getroffen spons trekt dan een oranje band over de buitenkant, dood weefsel achterlatend. „Van de spons rest na twee weken niet veel meer dan een hoopje vuile sneeuw”, zegt Pawlik, „Dat zijn de glasnaalden waarmee het dier zijn skelet opbouwt.”

Sinds 2006 ziet Pawlik de oranjebandziekte echter sterk afnemen, waardoor oudere sponzen langer blijven leven. Tegelijkertijd vestigen zich meer jonge sponsjes. Ze hebben meer kans omdat er ruimte vrijkomt door de afstervende koralen. Daarmee lijkt de toekomst voor sponzen in de Caraïbische Zee dus zonnig. Maar pas op, zegt Pawlik: „In een jaar kan het weer omslaan.”