Alleen betalen voor toppers

Bij Amerikaanse honkbalclubs gaat een solide begroting nu voor alles.

Drie recente megatransfers vormen de uitzondering, zegt sportcolumnist George Vecsey.

WASHINGTON, DC - DECEMBER 15: Jayson Werth #28 of the Washington Nationals poses for a portrait before being introduced to the media on December 15, 2010 at Nationals Park in Washington, DC. Mitchell Layton/Getty Images/AFP == FOR NEWSPAPERS, INTERNET, TELCOS & TELEVISION USE ONLY ==
WASHINGTON, DC - DECEMBER 15: Jayson Werth #28 of the Washington Nationals poses for a portrait before being introduced to the media on December 15, 2010 at Nationals Park in Washington, DC. Mitchell Layton/Getty Images/AFP == FOR NEWSPAPERS, INTERNET, TELCOS & TELEVISION USE ONLY == AFP

Is het Amerikaanse honkbal immuun voor de economische recessie? Terwijl de transfermarkt voor profvoetballers in Europa het afgelopen jaar vanwege de financiële malaise vrijwel stil lag, verhuisden in Amerika recent drie tophonkballers voor ruim 100 miljoen per speler van club.

Linksvelder Carl Crawford (Tampa Bay Rays) tekende voor 142 miljoen dollar een zevenjarig contract bij de Boston Red Sox. Rechtsvelder Jayson Werth (Philadelphia Phillies) vertrok voor zeven jaar en 126 miljoen dollar naar de Washington Nationals. En werper Cliff Lee (Texas Rangers) werd voor vijf jaar ingelijfd door de Philadelphia Phillies, voor een bedrag van 120 miljoen dollar.

Opzienbarende transfers in een land met een kwakkelende economie en een werkloosheid van bijna tien procent. Toch is het volgens George Vecsey, sportcolumnist van The New York Times en schrijver van een standaardwerk over de geschiedenis van het honkbal in Amerika, niet juist deze transfers als de norm te beschouwen: „Crawford, Werth en Lee zijn blikvangers, sterren die ieder team beter maken. Zij hebben de clubs voor het uitkiezen. Maar ze vormen een uitzondering. Ze worden aangetrokken om hun team kampioen te maken. Puur als economische investering is het de vraag of uitgaven van meer dan 100 miljoen dollar ooit zullen worden terugverdiend.”

De New York Yankees hadden Lee ook willen hebben. Ze boden hem een contract voor zeven jaar en ruim 140 miljoen dollar. Toch koos Lee voor de Phillies. Het werd breed uitgemeten in de Amerikaanse sportpers. In de geschiedenis van het honkbal is het een uitzondering dat een speler niet kiest voor het beste aanbod, maar voor de club waar hij zich op zijn gemak voelt.

Vecsey: „Met de aankoop van Lee zijn de Phillies in één klap de grote favoriet voor de titel. Twee factoren verklaren het recente succes van de club, die als enige in de Major Leagues de afgelopen vier jaar tot de play-offs doordrong: een goed aankoopbeleid en de verhuizing in 2004 naar een klein stadion. (Veterans Stadium bood ruimte aan 62.382 fans, Citizens Bank Park aan 43.647, red.) De verhuizing heeft goed uitgepakt. Het is moeilijk om aan kaartjes te komen. Dat heeft de prijs opgedreven. Minder plaatsen, maar wel altijd uitverkocht. Het heeft de Phillies in financieel en sportief opzicht goed gedaan. Honkballers spelen er graag, niet alleen vanwege het salaris maar ook door de intieme sfeer.”

Wie inzicht wil krijgen in het Amerikaanse honkbal als bedrijfstak doet er volgens hem goed aan de transfers en contracten van subtoppers en doorsnee honkballers onder de loep te nemen. „Wat je dan ziet is een andere trend: het afstoten door clubs van spelers die op de begroting drukken. De meeste clubs hebben de afgelopen jaren fors bezuinigd op spelerssalarissen. Daardoor hebben ze geen grote schulden gemaakt, zoals in het voetbal in Europa wel het geval is.”

De transfermarkt in het moderne profhonkbal werkt volgens Vecsey als volgt. Aan het begin van de competitie in april beginnen de clubs met een zo sterk mogelijke selectie. Drie maanden later, halverwege het seizoen, is min of meer duidelijk welke clubs afvallen in de strijd om een plaats in de play-offs. Zij bieden daarop hun beste (en vaak duurste) spelers aan bij clubs die nog wel meedoen in de strijd om de titel. „Dat is een recente ontwikkeling. Een aantal jaren geleden zouden de clubs juist hebben geprobeerd hun beste spelers te behouden, met het oog op de toekomst. Nu gaat een solide begroting voor alles.” Een verloren seizoen maakt sanering in het spelersbestand onvermijdelijk. Het omgekeerde is ook het geval: wie halverwege het seizoen nog volop meedoet, zoekt naar versterking.

Dat de eigenaren van de honkbalclubs de financiën op orde hebben is volgens Vecsey een erfenis uit de jaren tachtig. „De ondernemer Peter Ueberroth maakte grote indruk door als verantwoordelijke voor de organisatie van de Olympische Spelen in 1984 in Los Angeles winst te maken. Na de Spelen werd hij aangesteld als voorzitter van de honkbalbond. Verstand van honkbal had hij niet, maar wél van een sluitende begroting. Financieel wanbeleid zou de sport volgens hem de das omdoen. Ueberroth was de eerste die het sportieve beleid van een club koppelde aan een stabiel zakelijk beheer. Die boodschap is aangeslagen. De meeste clubs in het honkbal zijn financieel gezond. Tegenover de torenhoge salarissen van enkele spelers staan inkomsten uit televisierechten, merchandising en kaartverkoop.”

Het gevolg is, aldus Vecsey, dat honkbal alleen problemen in de marge heeft. Ook het steroïdenschandaal dat de sport hard trof, lijkt onder controle. „Eigenaren en bonden moeten een akkoord sluiten over het testen op HGH (groeihormonen; red). En er is de kwestie van chewless tobacco.” Pruimtabak is schadelijk voor de gezondheid, maar maakt een wezenlijk onderdeel uit van de honkbalcultuur. Een verbod op het gebruik ervan is daarom onzeker.