Verbelgiseert Europa?

L ’Europe sera belge ou ne sera pas. Deze gevleugelde uitspraak wordt gebruikt door verdedigers van de federale Belgische staat, om België te legitimeren als voorafspiegeling van een federaal Europa. De stelling klopt enkel in haar tegendeel. België heeft zes maanden na de verkiezingen zelfs geen uitzicht op een federale regering. Het land is politiek geblokkeerd. Wordt dat Europa’s toekomst?

Onlangs noemde Bart De Wever, voorzitter van de Vlaams nationale N-VA, in Der Spiegel België een „gefaalde staat”. Oorzaak is de Belgische „transfereconomie”. Jaarlijks gaat 6 miljard euro van Vlaanderen naar Wallonië en Brussel, grotendeels via de sociale zekerheid. Wallonië en Brussel hebben een torenhoge werkloosheid. Werkloosheidsuitkeringen zijn onbeperkt in de tijd en worden uitgekeerd door vakbonden. „Ons geld moet toch geen infuus zijn, als drugs voor een junkie”, zei De Wever.

Transfers zijn van alle tijden, maar er is een beperking. Hoe minder een land ‘natiestaat’ is, hoe dunner het politieke draagvlak. Duitsland werd in 1990 een herenigde natiestaat. De transferstroom naar het oosten, hoezeer nodig, bleek een moeizame operatie. De subsidiëring was omvangrijker en langduriger dan gedacht. Wie de DDR heeft gekend, ziet wel resultaten.

Italië heeft een geldstroom van noord naar zuid zonder tastbare resultaten, behalve één: Lega Nord, dat vindt dat Afrika beneden Rome begint.

België is geen natiestaat; het is een juridische constructie met Vlamingen, Walen, Brusselaars en Duitstalige Belgen. In 1966 passeerde het gemiddelde Vlaamse inkomen het Waalse. Vanaf 1970 begon een staatshervorming waarbij bevoegdheden geleidelijk verschoven naar regionale regeringen. Nu stuit dat proces op het bot: opdeling van sociale zekerheid en fiscaliteit, de twee pijlers van de welvaartsstaat. Vlamingen zijn het betalen beu, Franstalige Belgen roepen om „meer solidariteit”. Niet taalruzies, maar de transfereconomie breekt België op. Er is geen Belgische regering, want er is steeds minder dat Belgen bindt en steeds meer dat hen scheidt.

De Europese Unie installeert hetzelfde mechanisme, terwijl er zelfs geen sprake is van een ‘Europese natie’. Het middel is de euro en de morele motivering ‘solidariteit’. Hoe solidair voelen Nederlanders zich met Grieken, die de economische malaise over zichzelf hebben afgeroepen? Moeten Duitse werknemers betalen voor de vroege pensionering van de Grieken? Juist omdat er geen ‘Europese natie’ is, is het politieke draagvlak voor een Europese transfereconomie zeer gering. Duitsland, kernland van de eurozone, is in Europa wat Vlaanderen is in België: Zahlmeister. Het Duitse geduld is rekbaar, maar niet onbeperkt.

Voor Duitsland was de euro de prijs voor de Duitse eenheid en voor Frankrijk een instrument om greep te houden op Duitsland. De Duitsers waren aanvankelijk in staat de euro op hun orthodoxe monetaire leest te schoeien, met een onafhankelijke Europese Centrale Bank en een Stabiliteits- en Groeipact met strenge criteria. In de jaren negentig kon Duitsland de euro thuis alleen verkopen door deze te verankeren in budgettaire en monetaire discipline.

Die ankers werden losgeslagen. Griekenland werd toegelaten tot de eurozone, om ‘politieke redenen’. De criteria van het Stabiliteitspact werden versoepeld, onder Franse en Duitse druk. President Chirac en bondskanselier Schröder hadden ‘snoepgoed’ nodig voor hun herverkiezing. Tegelijk verminderde de concurrentiekracht van Griekenland, Spanje, Portugal en Italië nadat de euro was ingevoerd. Zij konden ineens staatsobligaties uitgeven tegen een ongekend lage rente, doordat de eurozone steunde op de brede rug van Duitsland. Deze landen kregen toegang tot ‘goedkoop geld’. De druk voor economische hervormingen viel weg en het feest kon beginnen. EU-president Herman Van Rompuy noemde de euro een „slaapmiddel”.

De financiële crisis heeft die concurrentiekloof tussen Noord- en Zuid-Europa blootgelegd. De EU heeft een grote transferstroom naar het zuiden op gang gebracht. Spaanse – regionale – banken liggen aan het infuus van de Europese Centrale Bank, die ook massaal Griekse obligaties koopt. Griekenland kreeg een hulppakket van 110 miljard euro. Een Eurostabiliteitsfonds van 750 miljard euro maakt bailouts mogelijk.

De Europese elite wil nu nog een slaapmiddel: euro-obligaties. Zuid-Europese landen kunnen dan wederom goedkoper geld lenen op de kapitaalmarkt, terwijl Duitsland en Nederland meer betalen. Uit solidariteit!

Hoe zit het met het politieke draagvlak in Duitsland? Dat brokkelt zienderogen af. Elke Duitse politicus krijgt thuis te horen: biss hier und nicht weiter. De voormalige voorzitter van de Duitse werkgeversorganisatie BDI, Hans-Olaf Henkel, schrijft in zijn boek Rettet unser Geld! dat de Duitsers zijn bedrogen. Hij wil twee eurozones: een ‘Noord Euro’ rondom Duitsland – met de Benelux, Oostenrijk en Scandinavische landen – en een ‘Zuid Euro’ met Frankrijk en de Middellandse Zeelanden.

Het enige wat de euro kan redden, is een terugkeer naar de verankering in budgettaire discipline en een verhoging van de concurrentiekracht van Zuid-Europa. De arbeidsproductiviteit van Griekenland en Portugal is nu 60 procent van de Duitse.

Een Europese transfereconomie leidt de EU in enkele jaren naar eenzelfde patstelling als nu in België. Indien Europa verbelgiseert, is een Duitse variant van Bart De Wever, met een D-Mark Partei, een kwestie van tijd.