Strijd om verhaal en vorm bij Metsu

In het Rijksmuseum hangen nu 35 van de ongeveer 130 schilderijen die van Gabriël Metsu bewaard bleven.

Metsu was een schilder die voor de markt werkte.

NGI 4536
NGI 4536 Photo © National Gallery of Irel

Gabriël Metsu (1629-1667) maakte meestal wat je van een zeventiende-eeuwse Hollandse genreschilder verwacht. Kluchtige scènes met volkse types, zoals we die kennen van Steen en Van Ostade. Of interieurs met wat chiquere figuren, zoals ook Vermeer en Ter Borch ze schilderden. Dames in glimmend satijn die met slanke handen een luit of virginaal bespelen – dat werk. De schoothondjes die tussen hen door drentelen zijn zo klein dat je ze per ongeluk zou kunnen doodtrappen.

Metsu was blijkbaar een schilder die voor de markt werkte. Nu eens maakte hij Ter Borch-achtig, dan weer Jan Steen-achtig werk. Was er vraag naar, dan imiteerde hij een Leidse fijnschilder. Als je van zo iemand één goed schilderij ziet in een zaal met zeventiende-eeuwse kunst, dan begrijp je: Gabriël Metsu, lang niet gek, die hoorde er ook bij.

Maar een tentoonstelling van zijn hele oeuvre zou waarschijnlijk te veel van het goede zijn. In twee zalen van het Rijksmuseum hangen nu 35 van de ongeveer 130 schilderijen die van hem bewaard bleven. Dat is een mooie groep, waaruit je kunt afleiden wat de terugkerende elementen, de zwaktes en de kwaliteiten in zijn werk zijn.

Terugkerend is dus het type taferelen. Metsu’s grootste zwakte lijkt me dat veel van zijn composities de neiging hebben uiteen te vallen in losse stukken, die elk afzonderlijk een schilderijtje zouden kunnen zijn, maar die samen geen hecht geheel vormen. En zijn schilderijen zijn vaak wat grauw van kleur.

Maar waar zijn kleurgebruik níet ingetogen is, daar is het ook meteen zeer gedurfd. In de eerste zaal trekt Een man die een handenwassende vrouw bezoekt (ca. 1663) de aandacht. De vrouw draagt een zilverachtig glimmende jurk en rode bovenkleding, die al tamelijk fel is voor Metsu’s doen, maar die verbleekt naast de ongekend rode vlakken in het hemelbed op de achtergrond en (vooral) de stoel en het tafelkleed rechts. Het rood is van een intensiteit die je met hedendaagse meubels associeert, niet met zeventiende-eeuwse. Zelfs door het groen in de schort van een dienstmeid schemert rood, alsof dat groen zich gewonnen geeft aan de rest van het schilderij.

De drie beste werken in de tweede zaal hangen op een rij. Links is er Een briefschrijvende man (ca. 1665), een schilderij uit het museum in Dublin waarin nu eens alles klopt. Het zachte gezicht van de man die in zichzelf gekeerd zit te schrijven aan een tafel bij het raam. Zijn meesterlijk geschilderde handen. De diverse gradaties zwart in zijn kleding, waarnaast de witte kraag en mouwen nog stralender lijken. De slappe plooien van de wijde broek in zijn schoot. De ontspannen over elkaar geslagen voeten. Het dikke, rijk gedecoreerde tafelkleed. De zwarte hoed aan de stoelleuning. De twee vierkanten – een raam en een schilderij – bovenin het beeld. Enzovoorts. Alles. Terecht siert dit schilderij het omslag van de catalogus.

Het middelste werk komt ook uit Dublin en is waarschijnlijk de pendant van de briefschrijver. In eenzelfde interieur zit een vrouw de brief te lezen die haar vanuit het linkerschilderij gestuurd is. In de andere helft van de compositie tilt een dienstmeid een gordijn op om een geschilderd zeegezicht daarachter te bekijken.

Beide helften staan weer wat los van elkaar, maar de aandacht wordt van dat bezwaar afgeleid door de vele heldere, niet per se harmoniërende kleuren: het groen in het gordijntje voor het zeegezicht, het zachtroze in de jurk van de vrouw, haar gele bovenkleding, een rood met blauw kussentje, nog twee andere tinten blauw en het groene gordijntje voor het zeegezicht.

In het nieuwe nummer van Kunstschrift, dat geheel aan Metsu gewijd is, legt kunsthistoricus Eddy de Jongh uit dat het schip op zee een zeventiende-eeuwse metafoor is voor de liefde. „Bij Metsu maakt deze metaforiek van de ontvangen brief zonder meer een liefdesbrief”, betoogt hij. Maar los van die mogelijke symboliek: het zeegezicht is een grisaille, een schilderij in grijzen, waarmee Metsu misschien wel wilde benadrukken dat lang niet ieder schilderij zulke uitgesproken kleuren heeft.

Sentiment en vorm strijden ook om voorrang in Het zieke kind (ca. 1665). Het meisje zit bij haar moeder op schoot in een compositie van witte, zwarte en grijze vlakken – maar in hun kleding zitten vier kraakheldere kleuren: geel, blauw, rood en groen.

Natuurlijk is er het verhaal. De moederliefde, het asgrauwe gezicht van het kind, de pest in Amsterdam, het schilderij met de Kruisiging op de achtergrond dat het leed misschien nog onderstreept. Maar het schilderij is van een haast twintigste-eeuwse strakheid, die je gedachten steeds weer van de inhoud naar de vorm stuurt.

Het zieke kind is van het Rijksmuseum zelf, dus dat hangt er bijna altijd op zaal. Hoe ongewoon het is, blijkt des te sterker nu het te zien is in de context van Metsu’s andere werk.

Tentoonstelling

Gabriël Metsu

T/m 21 maart in het Rijksmuseum, Jan Luijkenstraat 1, Amsterdam. www.rijksmuseum.nl ****