Doofpot is bij kerkelijke wet voorgeschreven

Het is de vraag of de kerk echt wil samenwerken met Deetman als de voorschriften heel anders luiden, stelt Peter Nissen.

In juni van dit jaar werd door de Belgische justitie een inval gedaan in de kantoren van het aartsbisdom Mechelen en in de woning van kardinaal Danneels, op zoek naar dossiers over seksueel misbruik door priesters. Ook werd er, op zoek naar geheime archieven, geboord in een grafplaat in de Sint-Romboutskathedraal te Mechelen.

Over de ‘Operatie kelk’, zoals ze genoemd werd, maar vooral over de zoektocht in de kathedraal werd in kerkelijke kring schande gesproken. Men vond het overkill en vermoedde invloed van de vrijmetselarij, die in kringen van de Belgische justitie veel aanhang zou hebben. De plaats waar de onderzoekers naar geheime dossiers zochten, was inderdaad nogal ongewoon. Maar dat er gezocht werd naar een geheim archief was niet zonder reden.

Dat die geheime archieven er zijn, is sinds de onthullingen over het bisdom ’s-Hertogenbosch zonneklaar (NRC Handelsblad, 18 december). Maar het was ook iets wat elke onderzoekscommissie, in België en in Nederland of waar dan ook, had kunnen vermoeden. Het bijhouden van een geheim archief wordt namelijk zelfs door het canonieke recht van de rooms-katholieke kerk aan iedere bisschop voorgeschreven. Zowel het kerkelijk wetboek van 1917 (in canon 379) als het vernieuwde kerkelijk wetboek van 1983 (in canon 489) schrijft voor dat er in ieder bisdom naast het gewone diocesane archief een geheim archief moet zijn. Dat moet een afgesloten kast of kist zijn, waarvan alleen de bisschop de sleutel heeft. Wat er in dat geheim archief bewaard moet worden, staat nergens. Maar wel wordt uit het kerkelijk wetboek duidelijk dat zedendossiers daar thuis horen. De bisschoppelijke doofpot is dus bij kerkelijke wet voorgeschreven.

Het kerkelijk wetboek schrijft zelfs voor dat dit geheim archief jaarlijks door de bisschop moet worden opgeschoond. Strafdossiers over zedenzaken waarvan de aangeklaagden zijn overleden of die tien jaar geleden door een uitspraak zijn afgesloten, moeten worden vernietigd. Wel moeten de bisschoppen ervoor zorgen dat een korte samenvatting van het dossier met de volledige tekst van de uitspraak bewaard blijft. Dat moesten zij trouwens, anders dan de Nederlandse bisschoppen in een verklaring van het afgelopen weekeinde suggereren, ook al vóór 1983, onder het regime van het wetboek van 1917.

De Bossche bisschoppen hebben dus, met hulp van hun archivaris, gedaan wat zij volgens het kerkelijk recht moesten doen. Vreemd is wel dat zij daar nu geen enkele wroeging over lijken te hebben. Zij hebben meegewerkt aan een doofpotcultuur, zonder zich nu te realiseren dat zij wellicht belastend materiaal inzake zedenmisdrijven hebben vernietigd. De oud-archivaris van het bisdom is er zelfs trots op dit gedaan te hebben. „Deetman mag komen, maar hij krijgt niets”, zegt hij stoer, „Wat ik weet zeg ik toch niet. Terwijl ik over een uitstekend geheugen beschik” (NRC Handelsblad, 18 december).

Uitspraken als deze werpen een bedenkelijk licht op de toezegging van de bisschoppen en de religieuze oversten dat de commissie-Deetman toegang heeft tot alle archieven en alle medewerking zal krijgen bij haar onderzoek naar seksueel misbruik. Dat een naaste medewerker van een bisschop, niet alleen oud-archivaris maar ook oud-kanselier en erekanunnik van het kathedrale kapittel, zulke uitspraken doet, wekt twijfel aan de betrouwbaarheid en geloofwaardigheid van de bisschoppen als opdrachtgevers van de commissie-Deetman. Hebben zij een dubbele agenda: naar buiten toe openheid en medewerking beloven, maar intussen proberen zoveel mogelijk onder de mijter te houden?

Wat staat de commissie-Deetman te doen? Als de Nederlandse bisdommen zich aan het kerkelijk recht gehouden hebben, beschikken ze allemaal over een geheim archief en over samenvattingen van vernietigde strafdossiers. De Nederlandse bisschoppen hebben dit weekeinde al verklaard dat die samenvattingen ter beschikking gesteld zullen worden van de commissie-Deetman. We moeten echter vrezen dat klachten die niet tot een kerkelijke strafzaak hebben geleid, allemaal vernietigd zijn.

We weten inmiddels uit de informatie die in binnen- en buitenland over het seksueel misbruik in de kerk boven tafel is gekomen, bijvoorbeeld uit het omvangrijke rapport van rechter Yvonne Murphy uit november 2009 over het Ierse bisdom Dublin, dat het in de meeste gevallen nooit tot een kerkelijke strafzaak kwam (om nog maar te zwijgen van een strafzaak voor een niet-kerkelijke rechtbank). Als het al tot een strafzaak kwam, dan mocht deze niet door de gewone kerkelijke rechtbank worden behandeld, maar volgens een geheime instructie van het Vaticaan uit 1962 (in 2001 hernieuwd) door een rechtbank die uitsluitend uit priesters bestond en die een eed van eeuwigdurend stilzwijgen moest afleggen. Klachten over seksueel misbruik werden zoveel mogelijk mondeling afgehandeld, met een vermanend woordje van de bisschop en een overplaatsing van de dader. Wat in de samenvattingen bewaard is, zal dus waarschijnlijk slechts het topje van de ijsberg zijn.

Mij dunkt dat de commissie-Deetman nu geen tijd moet verliezen, maar onmiddellijk van alle bisschoppen onbeperkte inzage moet eisen in de nog aanwezige geheime archieven. Ook moet zij onmiddellijk de samenvattingen opvragen van de reeds vernietigde zedendossiers. Ten slotte moet zij alle bisschoppen en oud-bisschoppen en eventueel hun archivarissen, indien nodig onder ede, horen over aantal en aard van de door hen reeds vernietigde zedendossiers. Alleen zo valt te voorkomen dat op korte termijn nog meer belastend materiaal in de bisschoppelijke papierversnipperaars verdwijnt.

Peter Nissen is hoogleraar cultuurgeschiedenis van de religiositeit aan de Radboud Universiteit Nijmegen.