Een duister verleden in Kosovo

Een juridisch spijkerharde aanklacht is het rapport over orgaanhandel in Kosovo en Albanië niet. Maar het startsein voor diepergravend onderzoek is gegeven.

Kosovo's Prime Minister Hashim Thaci speaks during a news conference in Pristina December 16, 2010. Thaci denied on Thursday criminal allegations outlined in a European report and said he would use all political and legal means to bring the truth to light. REUTERS/Hazir Reka (KOSOVO - Tags: POLITICS HEADSHOT)
Kosovo's Prime Minister Hashim Thaci speaks during a news conference in Pristina December 16, 2010. Thaci denied on Thursday criminal allegations outlined in a European report and said he would use all political and legal means to bring the truth to light. REUTERS/Hazir Reka (KOSOVO - Tags: POLITICS HEADSHOT) REUTERS

Dick Marty, de Zwitser die donderdag zijn rapport over orgaanhandel in Kosovo en Albanië presenteerde, is tegen dezelfde problemen aangelopen als zijn voorgangers, onder wie journalisten en onderzoekers van het Joegoslaviëtribunaal. Hard bewijs verzamelen over oorlogsmisdaden van tien jaar geleden is erg moeilijk. Getuigen durven of willen niet praten. En Albanese autoriteiten werken niet mee aan onderzoek op hun grondgebied.

Door bestaande rapporten te raadplegen, met enkele anonieme getuigen te spreken en onderzoekers en journalisten te citeren, komt Marty tot de conclusie dat „talrijke aanwijzingen lijken te bevestigen dat [...] organen werden verwijderd van enkele gevangenen in een kliniek op Albanees grondgebied, bij Fushë-Krujë, om naar het buitenland te worden gebracht voor transplantatie.”

Zo staat dat in de conceptversie van zijn rapport, die dinsdag uitlekte. Vermoedelijk gaat het uiteindelijk om „een handvol” krijgsgevangenen. Eerst zouden hun bloed en weefsel zijn getest, waarna ze in hun achterhoofd werden geschoten en hun organen werden verwijderd. Nog meer krijgsgevangenen, behalve Serviërs ook Albanese Kosovaren die door guerrillastrijders van het Kosovobevrijdingsleger UCK als verraders werden gezien, zouden in geïmproviseerde gevangenissen in Albanië zijn mishandeld.

Marty’s rapport aan de Raad voor Europa, waaraan hij twee jaar heeft gewerkt, leest als een spannend onderzoeksjournalistiek verhaal. Niet, zoals hij zelf erkent, als een spijkerharde aanklacht als basis voor rechtszaken. Daartoe roept hij anderen op onderzoek te doen en vervolgens tot rechtszaken en veroordelingen te komen.

Achter de orgaanhandel zit volgens Marty een crimineel netwerk van guerrillastrijders, waaraan ook de net herkozen premier Hasim Thaci deelnam en dat behalve organen en wapens ook drugs smokkelde. Hij vergelijkt de manier waarop de guerrilla-facties georganiseerd waren, langs clanverbanden, met maffiafamilies.

Marty wijst vooral beschuldigend naar de vele internationale instanties die zich de afgelopen tien jaar met Kosovo hebben bemoeid. Ten behoeve van stabiliteit in de regio zijn beschuldigingen zoals deze volgens Marty nooit uitgezocht. Vooral de Amerikanen moeten het in zijn rapport ontgelden, omdat ze meerdere ex-guerrillastrijders steunden die de politiek in zijn gegaan.

Dat soort beschuldigingen is niet nieuw of verrassend. De politieke elite in Kosovo bestaat grotendeels uit oud-rebellen, die hun populariteit danken aan hun inzet tijdens de strijd. Veel geld uit wapen- en drugssmokkel is, nadat het Servische leger met NAVO-bombardementen werd gedwongen zich terug te trekken, witgewassen in de bouwsector. Kosovo is bezaaid met overbodige benzinestations en motels. Van de land- en mijnbouw is vrijwel niets over. In de supermarkten liggen bijna alleen importproducten. Betrouwbare cijfers zijn er niet, maar volgens schattingen is de werkloosheid ruim boven de 40 procent.

Intussen is een kleine elite verdacht rijk en rijden geslaagde veteranen rond in vierwiel aangedreven auto’s, druk met ‘politiek’. Roddels over hoe zij aan hun geld komen zijn talrijk, bewijzen schaars. Aanklagers van Eulex, de EU politie- en justitiemissie, hebben dit jaar de minister van Transport, Fatmir Limaj, beschuldigd van corruptie en machtsmisbruik en aangekondigd dat andere toppolitici zullen volgen. Limaj is eerder ook aangeklaagd voor oorlogsmisdaden door het Joegoslaviëtribunaal, maar vrijgesproken wegens gebrek aan bewijs.

Bij het Joegoslaviëtribunaal in Den Haag dient nu voor de tweede keer de zaak tegen Ramush Haradinaj, ex-UCK-strijder en ex-premier van Kosovo. Hij wordt verantwoordelijk gehouden voor het martelen, verkrachten en verdrijven van burgers in 1998. De eerste keer lukte het niet om hem te veroordelen, tot openlijke frustratie van de toenmalige hoofdaanklager van het tribunaal Carla Del Ponte. Er waren zoveel aanwijzingen dat getuigen onder druk waren gezet, dat de zaak over moest.

De frustratie van Del Ponte over wat ze bij het Joegoslaviëtribunaal niet voor elkaar kon krijgen, is dezelfde als die uit het rapport van Dick Marty spreekt. Haar in 2008 verschenen boek vormde de aanleiding tot zijn onderzoek in opdracht van de Raad van Europa. Del Ponte schrijft daarin over aanwijzingen voor de handel in organen van krijgsgevangenen en de weigering van Albanië om mee te werken aan onderzoek van het tribunaal. Op haar beurt roept Del Ponte, tegenwoordig de Zwitserse ambassadeur in Argentinië, nu in interviews op tot een nieuw internationaal onderzoek naar aanleiding van het rapport van Marty.

Het ligt voor de hand dat zo’n onderzoek wordt gedaan door de EU-onderzoekers en aanklagers die in Kosovo actief zijn in de Eulex-missie. Het is de kern van hun taak om de roddels en beschuldigingen van de feiten te scheiden en tot eerlijke rechtspraak te komen. Daartoe leiden ze ook Kosovaarse rechters en aanklagers op.

Juist vanuit de Europese Unie en Eulex is tot nu toe terughoudend gereageerd op het rapport van Marty. Eulex-onderzoekers hebben al eerder gepoogd bewijs te vinden voor de aanhoudende beschuldigingen van orgaanhandel in 1999, maar zij vonden dat tot nu toe niet.