Nu echt naar Anna Jacoba

‘Het veer Zijpe-Anna Jacobapolder is uit de vaart genomen.’ Die radiomelding lokte H.J.A. Hofland 35 jaar geleden naar Zeeland. Schrijver en journalist Joris van Casteren reist hem na.

Woensdagochtend ben ik onderweg van Amsterdam naar Anna Jacobapolder, een gehucht op Sint Philipsland, de kleinste polder van Zeeland. Vijfendertig jaar geleden maakte H.J.A. Hofland deze reis ook, wat resulteerde in de met S. Montag ondertekende bijdrage ‘Naar Anna Jacoba’, één van de mooiste stukjes die ik van hem las.

Hofland besloot de reis te maken omdat hij soms op de radio hoorde dat Het veer Zijpe-Anna Jacobapolder tijdelijk ‘uit de vaart’ was genomen. Deze mysterieuze radiomededeling, die klonk zodra het mistte of stormde, veroorzaakte bij hem een peinzende stemming, die hij omschreef als ‘secundair nadenken’.

Hij vroeg zich af hoe men een veerboot uit de vaart nam: zoals een kind zittend in bad een scheepje uit het water tilt? Waarom zei de omroeper niet: ‘vandaag vaart de pont niet’?

Hoflands reis naar Anna Jacobapolder mislukte. Hij stapte in Roosendaal uit de trein en ontdekte dat er die dag geen bus meer reed naar Sint Philipsland. ‘De hele heenreis gedegradeerd tot een zinloos rijtoertje,’ noteerde hij.

Als Hofland het veer had bereikt was ‘Naar Anna Jacoba’ misschien een minder goed verhaal geworden; de Sebald-achtige bespiegelingen had hij dan niet kwijt gekund. Toch heb ik het niet bereiken van Anna Jacobapolder altijd als een gemis ervaren, in mijn verbeelding heeft het veer Zijpe-Anna Jacobapolder mythische vormen aangenomen. Vijfendertig jaar later is het tijd om orde op zaken te stellen.

Ik ga met de auto, zodat ik in Roosendaal niet voor verrassingen kom te staan. Hofland vertrok op een ‘koude, winderige maar wolkenloze morgen’, vandaag regent het en is het druk op de weg.

In de file bij Zoeterwoude-Rijndijk hoor ik op de radio dat er in Maassluis schermutselingen hebben plaatsgevonden ‘op de uitdeelplaats voor strooizout’. Bewoners die daar maximaal vijftien kilo zout mogen ophalen kregen het aan de stok met medewerkers toen ze meer zout in een aanhanger wilden scheppen.

Hofland had in de trein naar Roosendaal hooggespannen verwachtingen van het veer. Hij vroeg zich af of het van veraf te zien zou zijn, met ‘een vette zwarte rookpluim aan de horizon’. Hij hoopte het doel van de reis ‘in een plotseling totaalbeeld’ te kunnen aanschouwen.

Even ben ik bang net als Hofland het veer niet te bereiken, als op de ring van Rotterdam een vrachtwagen van de firma Op de Beeck mij bijna in de vangrail duwt. ‘Vochtrijke veevoeders,’ staat er op de vrachtwagen. Waarom niet gewoon ‘nat veevoer’?

Hofland reed met de trein Rotterdam Centraal binnen en beklaagde zich over de ‘zorgwekkende armetierigheid’ van het station, dat hij omschreef als ‘een reeks tochtige tramhaltes boven een tunnel’. Ook zag hij tot zijn verbijstering dat de grote hoeveelheid achterbalkons die je vroeger vanaf het spoor rond Rotterdam kon zien allemaal waren verdwenen.

Ik bevond mij in die tijd niet ver daar vandaan. Aan de toen nog bescheiden Rotterdamse skyline was het later gesloopte Eudokia Kinderziekenhuis te zien. Daar lag ik in een couveuse, als ‘totaal oedemateuze zuigeling’. Mijn vader had besloten dat we naar Lelystad zouden gaan, in de zomer van 1976 gebeurde dat ook.

Bij knooppunt Hellegatsplein verlaat ik de A29. Een kwartier later bereik ik over een dam Sint Philipsland, een mathematisch ingericht poldertje met wilgen langs de kaarsrechte wegen. De boerderijen hebben oranje pannendaken, ik zie schuren van golfplaat en enorme windturbines. In de verte altijd de dijk.

Over de Langeweg rijd ik Anna Jacobapolder binnen, een gehucht dat bestaat uit twee straten: Zijpschekreek en Steintjeskreek. In Steintjeskreek bekijk ik de vooroorlogse rijtjeshuizen, hier en daar beweegt vitrage. Een mevrouw komt naar buiten, met haar hond en een paraplu.

Ik zeg de mevrouw dat ik voor het veer ben gekomen. Ik vertel over Hofland, dat hij de P.C. Hooftprijs heeft gekregen en dat hij vijfendertig jaar geleden naar het veer wilde maar niet verder kwam dan Roosendaal.

„Het veer,” zegt de mevrouw, „bestaat al lang niet meer.” Toen Hofland hoorde dat de bus niet ging noteerde hij: ‘Zo stort voor een kwart seconde de wereld in elkaar.’ Hij besloot het verhaal zo vlug mogelijk te vergeten en nam de eerste de beste trein terug naar Amsterdam.

In de trein las hij fragmenten uit het nieuwe boek van Woodward en Bernstein over de laatste dagen van Nixon, die dronken was en huilde in het bijzijn van Kissinger.

Ik besluit niet op te geven, ook al vaart dat verdomde veer niet meer. Langs de gereformeerde kerk rijd ik Anna Jacobapolder uit, rechts is de begraafplaats met ernaast een grote berg suikerbieten.

Ik sla linksaf, dan rechtsaf. De weg gaat over de dijk. Ik zie het water – ’t Zijpe – met aan de overkant Schouwen-Duiveland. Aan het water ligt een restaurant dat ’t Veerhuis heet.

Ik parkeer op de lege parkeerplaats en ga het restaurant binnen. Een omvangrijke man in schipperstrui, kalend maar met lange bakkebaarden, komt mij tegemoet. „Wij zijn gesloten,” zegt hij. Ik zeg wat ik ook al zei tegen de mevrouw in Anna Jacobapolder. „Dit is het veerhuis,” zegt de man, „dit is waar het veer vertrok.”

De man heet Eric Moerland, hij is 38 jaar en de eigenaar van het restaurant dat ook een hotel blijkt te zijn. Hij vertelt dat hij is opgegroeid in De Sluis, een ander gehucht op Sint Philipsland dat ook uit twee straten bestaat, de Commandostraat en de Beatrixstraat.

Moerlands vader was landarbeider. „Hij was de beste bietenrooier van Sint Philipsland,” zegt Moerland. Als zijn vader vrij had, nam hij zijn zoon mee naar het veer, waar het sociale leven van het eiland zich afspeelde.

Voor de oorlog was er een tramverbinding tussen het Brabantse Steenbergen en Zierikzee. Wie in de tram stapte, die met twintig kilometer per uur door de polders tufte, moest er halverwege de rit uit om op de veerpont te stappen. Na de oorlog werd het autoverkeer zo druk dat je soms twee uur moest wachten voor je met de auto de pont op kon.

Op de plek van Moerlands restaurant stond een huisje waar een voormalige stoker drank verkocht aan de wachtenden, zijn vrouw smeerde broodjes en bakte uitsmijters. De stoker was in 1972 werkloos geworden, toen de stoomveerboot een dieselmotor kreeg. De Rotterdamse Tram Maatschappij, eigenaar van de veerdienst, gunde hem het etablissement bij wijze van afvloeiingsregeling.

In de jaren zeventig werden er plannen gemaakt voor de Philipsdam, die in 1988 in gebruik zou worden genomen en Sint Philipsland verbond met Schouwen-Duiveland en Goeree-Overflakkee. De pont kreeg iets overbodigs, het veerhuis van de oude stoker verloederde.

„Ze waren stevig aan de drank, zowel hij als zijn vrouw,” zegt Moerland. Het veerhuis trok foute klanten aan, elke avond werd er gezopen tot diep in de nacht. Toeristen die ’s ochtends binnenkwamen voor een kop koffie zagen op het biljart haveloze mannen hun roes uitslapen.

Er zouden vierentwintig honden en twaalf katten in en rond het veerhuis hebben rondgelopen. De katten hielden zich volgens Moerland in leven door bier van de nadruppende tap te likken.

De schipper en de conducteur van het veer, dat de hele dag op en neer voer, dronken vrolijk een glaasje mee. „Er was één conducteur die voor elke oversteek een jenever dronk, met het gevolg dat in de loop van de ochtend iedereen gratis mee mocht.” Het is een wonder dat er nooit ongelukken zijn gebeurd. „Als je bedenkt hoeveel tankers vol nafta en benzine hier voorbij varen.’

’t Zijpe was een berucht stuk zee, nog steeds kan het er vanwege de diepte in combinatie met de geringe breedte hevig tekeer gaan. Boven windkracht zeven of bij mist moest de kapitein het veer aan de kade houden. Dan liep hij hoofdschuddend het veerhuis binnen om met de autoriteiten in Zierikzee te bellen. Zierikzee stelde het ANP op de hoogte en die zorgde ervoor dat Hofland en de rest van radioluisterend Nederland op de hoogte raakten.

Op 6 juli 1988, toen de Philipsdam gereed was, voer het veer Zijpe-Anna Jacobapolder voor de laatste keer. Niet lang daarna overleed de stoker, het morsige veerhuis kwam leeg te staan. Moerland, die een koksopleiding had gevolgd en er wilde jaren in Thailand en Australië op had zitten, kon het voor weinig geld overnemen van Rijkswaterstaat. Hij liet de boel chemisch reinigen en grondig renoveren. Nu doet hij goede zaken. ‘We zitten hier op een ANWB-fietsroute’, zegt hij. ’s Zomers heeft hij een bezetting van zeventig procent. „Extreem hoog voor Zeeland.”

Een paar jaar geleden heeft Moerland een nieuw pontje gekocht. Vanaf 1 juli tot 31 augustus vaart hij daarmee een paar keer per dag naar de overkant. Als ’t Zijpe te wild is en hij de pont aan de kade moet houden belt hij Omroep Zeeland. Die vinden het dan leuk om de stremming for good old sake wereldkundig te maken.

‘Naar Anna-Jacoba’ is opgenomen in De Kronieken van S. Montag (de Bezige Bij). Joris van Casteren (1976) publiceerde oa Lelystad (2008). Komend voorjaar veschijnt: Zusje van de bruid.