Kan de psychologie niet beter gewoon verdwijnen?

Jaap van Heerden: Fascinaties. Een intellectuele autobiografie. Prometheus, 128 blz. €15,-

‘Je staat met wildvreemde mensen in de lift. Er stapt iemand uit en meteen weer in, want hij vergist zich in de verdieping. Kan gebeuren. Maar het vreemde is dat de neiging het gedrag ongevraagd toe te lichten onweerstaanbaar is. Hij wendt zich tot de andere gebruikers van de lift en zegt ik dacht dat ik er al was. Ik heb een keer gevraagd, waarom vertelt u mij dat? Maar dat wordt als ongepast ervaren.’ Deze anekdote staat in Fascinaties, de nieuwste bundel essays van Jaap van Heerden, en is typerend voor de geesteshouding die eruit spreekt. Karel van het Reve kenschetste die ooit als ‘aangenaam blasfemisch’, waar de titel van Van Heerdens bekendste boek Wees blij dat het leven geen zin heeft ook blijk van geeft. Van Heerden verwondert zich er over dat er geen vrolijke wetenschap bestaat waarin vragen worden gesteld als die van Rudy Kousbroek: waarom verschijnt Maria nooit eens in Mekka?

Met Kousbroek en Van het Reve zijn de voornaamste geestverwanten van Van Heerden genoemd. Nog niet zo lang geleden schreven zij alle drie voor deze krant en namen zij een prominente plaats in het maatschappelijk debat in. Het leek een kwestie van tijd dat hun verlicht rationalisme, afkeer van religie en hun vertrouwen in de wetenschap zouden zegevieren. Maar die verwachting is niet uitgekomen. Andere auteurs, die zich door de Franse en Duitse filosofie laten inspireren, hebben hun plaats ingenomen.

Van Heerdens essays verschenen eerder in het magazine van het Amsterdams Medisch Centrum. Maar omdat ze beslist een grotere lezersschare verdienen, is het goed dat ze nu in boekvorm zijn verschenen, zij het dat de ondertitel, Een intellectuele autobiografie, wat overtrokken is. Er staan helaas maar enkele herinneringen in. In één daarvan, een mooi essay over de hoogleraar klinische psychologie Barendregt, noemt Van Heerden hem een ‘wandelende paradox’, omdat hij enerzijds van psychologen die de invoelende methode bij hun patiënten toepasten, eiste dat ze hun bevindingen empirisch toetsten; en anderzijds experimenteel psychologen bekritiseerde, omdat zij te weinig oog hadden voor het individu. Van Heerden schrijft over Barendregt: ‘Ik was zeer gevoelig voor het vertoon van zijn gekweldheid.’

Onder een soortgelijke gekweldheid moet Van Heerden zelf gebukt gaan. In het openingsessay bespreekt hij de vraag of de psychologie niet beter kan verdwijnen. Steeds meer filosofen vinden dat een wetenschappelijke psychologie zich niet meer moet bedienen van woorden uit de spreektaal, zoals ‘pijn’, ‘angst’, ‘verlangen’, ‘hoop’ en ‘liefde’. Dat doet een serieuze wetenschap als de natuurkunde immers ook niet. In plaats daarvan moet de psychologie hogere geestelijke verschijnselen als het denken beschrijven als dat wat het echt is: neurofysiologische processen.

Op grond van Van Heerdens liefde voor de wetenschap zou je verwachten dat hij dit ‘eliminatief materialisme’ zou omarmen, maar dat doet hij niet. Hij is nog te zeer gehecht aan de alledaagse taal.

Van Heerden is op zijn best, wanneer je als lezer twijfelt of wat hij schrijft ernstig bedoeld is of juist ironisch. In een lezing voor de werkgeversorganisatie van Noord-Brabant verontwaardigde hij zijn gehoor door te betogen dat religie tot onze cultuur en niet tot onze natuur behoort. Hij beweert dat hij daar verbaasd over was, maar dat kan hij niet menen.

Soms maakt Van Heerden zich er te gemakkelijk vanaf. Wat hij schrijft over psychologische romans is misschien provocerend bedoeld, maar vooral slecht geïnformeerd. En ook de weergave van biografische details en filosofische posities had nauwkeuriger gekund. Maar wellicht zijn ze niet van belang voor het standpunt dat in deze lezenswaardige essays bovenal wordt gehuldigd: dat van de common sense.