WikiLeaks als Amsterdamse vrijbuiters uit de 16de-eeuw

De onthullingen van WikiLeaks vragen om nieuwe regels voor transparantie.

Zo voorkomen we de buitenrechtelijke sluiproute die de VS nu nemen.

Net als velen heb ik mijn twijfel over WikiLeaks.

Burgers van een goed werkende democratie moeten kunnen weten wat de Staat uit hun naam zegt en doet, teneinde deel te hebben aan de ‘tegendemocratie’ – om met de Franse denker Pierre Rosanvallon te spreken: de democratie van burgers die de daden van de staat wantrouwen in plaats van legitimeren. Het is duidelijk dat WikiLeaks dit vermogen verbetert.

Anderzijds zijn menselijke systemen niet tegen zuivere transparantie bestand. Willen onderhandelingen slagen, dan moeten mensen privé meningen kunnen uitspreken waarvan ze in het openbaar afstand zouden nemen en die later misschien weer laten varen. Het is duidelijk dat WikiLeaks dit vermogen schaadt. (Als de analyse van blogger Aaron Bady klopt, is WikiLeaks ontworpen om deze schade aan te richten en niet om alles zichtbaar te maken.)

En zo is er een spanning tussen twee vereisten voor een democratisch bestel, die niet op te lossen, maar wel tot een aanvaardbaar evenwicht te brengen is. Sterker nog, evenals de deugd gelijkheid versus vrijheid, of volkswil versus grondrechten, móét een dergelijk evenwicht wel tot stand worden gebracht, wil het democratisch bestel niet stuklopen op te veel geheimhouding dan wel te veel transparantie.

Persoonlijk ben ik van mening dat er in het huidige systeem te veel geheimhouding bestaat en dat meer transparantie een goed idee is. Maar ik geloof niet in totale transparantie, en wat nog belangrijker is: ik denk niet dat het op den duur een goed idee is als mensen geheel onafhankelijk kunnen optreden en geen enkele verantwoording hoeven af te leggen.

Als het alleen om de lange termijn ging, dan zou WikiLeaks een duidelijk slechte zaak zijn. Maar de praktische geschiedenis van de politiek doet vermoeden dat de periodieke verschijning van dergelijke vrijbuiters op de korte termijn van wezenlijk belang is voor een verdere democratisering, niet alleen van de politiek, maar ook van het denken.

Wij prijzen de drukkers uit het 16de-eeuwse Amsterdam omdat ze het de Katholieke Kerk onmogelijk maakten de productie van de drukpers te beperken tot boeken die de Kerk goedkeurde, een verzet dat onder meer heeft bijgedragen tot de decentralisatie van het wetenschappelijk onderzoek en de verspreiding van politiek opruiende geschriften die de democratie bepleitten.

Maar deze intellectuele en politieke overwinning betekende niet dat de drukpers daarna bevrijd was van alle beperkingen. Mettertijd ontstond rond het drukken een reeks wettelijke beperkingen, zoals beperkingen inzake smaad, de publicatie van bedrijfsgeheimen en opruiing. Ik ben het niet met al die wetten eens, maar ze kwamen tenminste via een bepaalde rechtsgang tot stand.

Anders dan de huidige vervolging van WikiLeaks door de Verenigde Staten.

Ik heb mijn twijfel over het juiste evenwicht tussen de zichtbaarheid die vereist is voor de tegendemocratie en de noodzaak tot vertrouwelijkheid in internationaal verband. Waarover ik geen twijfel heb, is dit: als machthebbers niet kunnen krijgen wat ze willen door binnen de wet te blijven, is het juiste antwoord niet om buiten de wet te opereren. Dan is het juiste antwoord dat ze niet kunnen krijgen wat ze willen.

De Verenigde Staten zijn een rechtsstaat – of behoren dit te zijn – en vooral daarom wekt de buitengerechtelijke vervolging van WikiLeaks zo’n weerzin. (Oproepen tot moord op Assange zijn nog weerzinwekkender.) Misschien heeft Assange een misdrijf begaan. (Ik ken hem oppervlakkig, maar niet goed genoeg om voor zijn motieven in te staan, en ik ben ook geen advocaat.) In dat geval is het juiste antwoord om hem te berechten.

Maar in de VS heeft de overheid zelfs bij geheime stukken ‘zwaarwegende’ redenen nodig om vooraf de publicatie te beletten. Het Hooggerechtshof bevestigde dit principe bij de zaak New York Times Co. vs. The United States, toen de New York Times de Pentagon Papers publiceerde. Als we bij WikiLeaks een ander antwoord willen, is er eerst een ander wettelijk kader nodig.

Ook al ben ik geen voorstander van het SHIELD-wetsvoorstel van senator Joseph Lieberman (inzake de rechtmatige verspreiding van speurwerk), wat me wel bevalt is dat het een wet is en geen buitengerechtelijke sluiproute. Wat me ook bevalt is dat de SHIELD-wet duidelijk maakt wat er op het spel staat: de wet legt nieuwe beperkingen aan uitgevers op en zou niet alleen voor WikiLeaks maar ook voor de New York Times en The Guardian gelden.

Ik vind niet dat zo’n wet behoort te worden aangenomen. Ik denk dat de huidige wetgeving, die wel het lekken van geheimen maar niet de publicatie van lekken strafbaar stelt, het juiste evenwicht schept. Maar de essentie is wel dat democratieën een proces hébben om zulke beperkingen in het leven te roepen, en als burger zie ik de VS met walging proberen sluipwegen te nemen.

Op de lange termijn zullen we nieuwe regels moeten stellen aan een nieuwe, grotere transparantie. WikiLeaks mag zichzelf niet boven de wet stellen, evenmin als de Verenigde Staten.

Maar op korte termijn is WikiLeaks ons Amsterdam. Welke beperkingen we uiteindelijk ook zullen invoeren, nu moeten we WikiLeaks levend houden, terwijl we het proces doorlopen dat democratieën als reactie op veranderingen altijd doorlopen. Als een democratie zomaar kan besluiten iemand van het internet te gooien omdat hij iets doet waarvoor een krant niet vervolgd zou worden, zal dat de doodklap zijn voor het idee van het internet als verdere democratisering van de publieke sfeer.

Clay Shirky is een Amerikaanse schrijver die zich bezighoudt met de sociale en economische effecten van nieuwe media. Hij is als lector verbonden aan de New York University. Zijn columns en artikelen verschenen in onder meer The New York Times, The Wall Street Journal, de Harvard Business Review en Wired.

Volg internetdeskundige Clay Shirky op shirky.com