Een inspecteur heeft tijd nodig

De kinderopvang werd klantvriendelijker, bleef langer open, en werd lastiger te controleren.

Maar is misbruik überhaupt met controle te signaleren?

De eerste 85 vakjes in het GGD-inspectierapport aankruisen is geen kunst. ‘Is er een pedagogisch beleidsplan? Is er voldoende slaapruimte? Telt het kinderdagverblijf minimaal 3,5 m2 bruto oppervlak per kind?’

Maar dan komt paragraaf 6.3, over emotionele veiligheid: heerst er een ontspannen, open sfeer in de groep? Is er goede interactie tussen beroepskracht en individuele kinderen? Vragen waarop de antwoorden niet in cijfers zijn te vatten.

„Ervaren inspecteurs hebben daar een gevoel voor ontwikkeld”, zegt ontwikkelingspsychologe Liesbeth Schreuder, die namens het Nederlands Jeugdinstituut onderzoek doet naar kinderdagverblijven. „Zij letten op de sfeer. Zij kijken of kinderen lachen, of ze vrij rondlopen en niet angstig in een hoekje zitten. Of kinderen rustig spelen of juist snel afgeleid zijn. Of ze naar de pedagogisch medewerkers toe lopen.”

Om achter zulke vragen een kruisje in het juiste vakje te zetten – ‘ja’, ‘nee’ – moet ook een ervaren inspecteur de tijd hebben om om zich heen kunnen kijken. Maar daar, zegt Schreuder, ontbreekt het bij controles aan. Eén dag per jaar heeft een inspecteur per dagverblijf. „Dat is inclusief het doorwerken van alle presentielijsten, een hele klus, en inclusief het schrijven van de rapportage.”

De werkdruk onder inspecteurs van kinderopvang is toegenomen. Het stijgend aantal werkende ouders in Nederland heeft het aantal kinderdagverblijven flink doen toenemen. Tegelijkertijd moest de inspectie vorig jaar haar prioriteit naar gastouderbureaus verleggen, waar sprake bleek van fraude.

Of daarmee de kwaliteit van de inspectie is afgenomen is de vraag. Voordat de ‘wet kinderopvang’ in 2005 van kracht was werden kwalitatieve vragen in het inspectierapport helemaal niet gesteld. Schreuder: „Lang vond de branche dat ze zo’n kwaliteitscontrole zelf wel konden uitvoeren. De GGD moest zich daar niet mee bemoeien, dat vond de branche maar betuttelend.”

Maar de kwaliteit van kinderdagverblijven ging sindsdien wél achteruit. Niet zozeer door de uitbreiding van het aanbod, eerder door de organisatie. Schreuder: „Pedagogische medewerkers worden vaker dan vroeger op meerdere groepen gezet. Hun band met kinderen werd minder hecht. En ook de groepssamenstelling wisselt vaker vanwege de groeiende groep parttime ouders die maar twee dagen per week van de opvang gebruikmaakt.” Toegenomen klantvriendelijkheid bij dagverblijven speelt een rol. „‘Zegt u maar wanneer u komen wilt’, zegt men. Terwijl: vroeger moest je kiezen. Of je komt maandag, woensdag en vrijdag, óf dinsdag en donderdag. De opvang is een beetje een duiventil geworden.”

Die klantvriendelijkheid zag je terug in verruiming van de openingstijden. Daardoor kwamen pedagogisch medewerkers vaker alleen op een groep te staan. „Aan het begin en einde van de dag zijn er minder kinderen. Om de kosten te beperken staat er dan vaak maar één medewerker op de groep.” Die langere openingstijden leidden tot invoering van de regel dat een medewerker maximaal drie uur per dag alleen mag werken.

En dan kan het misgaan, zoals deze week bleek bij de grootschalige kindermisbruikzaak bij dagverblijven in Amsterdam. Bij Het Hofnarretje kwam de GGD veertien keer tot de conclusie dat het dagverblijf te weinig personeel inzette. Er volgde intensievere inspectie. Schreuder: „Gezien de drukte bij de inspectie is dat al bijzonder.” Waarom het misbruik toen niet aan het licht is gekomen? Schreuder: „De vraag is of je zelfs met zulke controle misbruik kunt signaleren. Hier ligt ook verantwoordelijkheid voor de directie van een dagverblijf.”

Die zit er tenslotte het dichtst op. En zelfs dan kan het misgaan. Het management van het Hofnarretje bleef in gebreke. Maar ook de gemeente greep niet in. Schreuder begrijpt dat wel. „Zolang tekenen van misbruik ontbreken kun je een dagverblijf niet zomaar sluiten. Je hebt te maken met werkende ouders en kinderen die gehecht zijn aan hun groep.”