Stuitendste foto's staan op darknet

Robert M. beveiligde zijn computer extreem. Hoorde hij bij een geheime groep verzamelaars? Of werkte hij voor een commerciële kinderpornosite?

Rotterdam, 14 dec. - Dat de Amerikanen al snel wisten dat ze kinderporno uit Nederland in handen hadden, is niet verwonderlijk. Sommige rechercheurs kennen alle soorten stopcontacten uit hun hoofd – ook de typisch Nederlandse. Anderen kijken naar luxaflex, meubels of de hoogte van deuren en plafonds – ook bouwvoorschriften zijn in elk land anders. Daarmee verraadt de fotograferende zedendelinquent zichzelf vaak: tijd om op zulke zaken te letten heeft hij meestal niet.

Waar het fotomateriaal van Robert M. daarna is terechtgekomen, is moeilijker, zo niet onmogelijk, te achterhalen. Versleutelde beelden van de slachtoffers staan wellicht in zijn computer. Die is lastig te kraken gebleken. Volgens de Amsterdamse hoofdcommissaris Bernard Welten is M. „een specialist in encryptie”.

Dat maakt de zaak „atypisch”, zegt Jan-Jaap Oerlemans, die aan de Universiteit Leiden onderzoek doet naar cybercriminaliteit. „Meestal worden alleen downloaders van kinderporno opgepakt. In deze zaak gaat het om een ‘uploader’, iemand die actief deelneemt aan een kinderpornonetwerk. Uploaders weten vaak buiten het zicht van opsporingsautoriteiten te blijven.”

Kinderpornofoto’s kunnen in twee circuits circuleren. De verdachte is aangesloten bij een commerciële aanbieder met betalende klanten, of hij behoort tot een groep ‘verzamelaars’ die onderling kinderpornografie uitwisselt.

Vaststaat dat de echtgenoot van Robert M. eigenaar is van de website boyhood-magazine.org, waarop kinderporno is aangetroffen. Onduidelijk is of dit een commercieel initiatief is. De site is nu uit de lucht.

Commerciële aanbieders werken met een inlogcode en een wachtwoord, betalen gaat met creditcard. „Veel van deze sites kent de politie wel”, zegt Wouter Stol, bijzonder hoogleraar politiestudies aan de Open Universiteit. „Ze zijn openbaar, er moet immers reclame worden gemaakt.” Vaak gebeurt dat via spam, ongevraagde mail. Toch blijkt oprollen van zulke criminele organisaties moeilijk. Stol: „Ze wisselen voordurend van server en IP-adres. En vaak staan ze geregistreerd in landen als China, waar autoriteiten niet snel meewerken aan internationale opsporingsverzoeken.”

Ontmanteling is wel eens gelukt, via de creditcardgegevens van gebruikers. Zo werd in 2002 , alleen al in de VS de identiteit van 35.000 abonnees bekend bij onderzoek naar het bedrijf Landslide Productions, dat toegang tot kinderporno verkocht. Maar dit type opsporing is niet waterdicht. Oerlemans: „Tijdens het strafrechtelijk onderzoek pleegden vijf abonnees zelfmoord. Eén van hen bleek onschuldig; iemand had zijn creditcardgegevens gestolen.”

De meest aanstootgevende beelden komen terecht bij verzamelaars. Werd het materiaal vroeger per post geruild, nu gaat dat via peer-to-peer-netwerken, ‘darknets’: besloten internetgroepen waar leden alleen op uitnodiging worden toegevoegd. Een aspirant-lid moet aantonen dat hij zijn computer goed beveiligd heeft. Ook dient hij nieuw materiaal aan te dragen, om politie-infiltranten te weren. Stol: „Het is een toets op betrouwbaarheid. De oude plaatjes kennen de leden van het netwerk wel. Nieuw materiaal zal de politie nooit leveren: zelf strafbare feiten plegen laat de politie uit haar hoofd.”

Eenmaal binnen kan het lid ‘opklimmen’. Hoe meer nieuw materiaal hij aanlevert, hoe ‘verder’ hij op de site komt. „Er wordt meer informatie voor hem ontsloten.

„Vaak ontstaat verzamelwoede. Gebruikers raken in bezit van soms honderdduizenden plaatjes die ze lang niet allemaal meer bekijken. Ze willen collecties compleet krijgen.”

Hoeveel darknets met kinderporno er zijn, is onbekend. Ze zijn zeer besloten, en criminologen begeven zich er niet graag. Onderzoekers als Oerlemans en Stol baseren zich daarom vooral op de enkele zaken die voor de rechter zijn gekomen. Zoals de Wonderland-zaak uit 1998, waarin wereldwijd aanhoudingen werden verricht. Oerlemans: „Deelnemers beschouwden zich als een eliteclub, ze moesten 10.000 nieuwe plaatjes aanleveren om lid te worden.”

Maar ook justitie maakt volgens hem onvoldoende werk van de opsporing van deze netwerken. Internationale samenwerking verloopt moeizaam. „Doorrechercheren gebeurt in Nederland daarom vaak alleen als uit beeldmateriaal blijkt dat het om Nederlandse slachtoffers gaat.”

Bijzondere opsporingstechnieken worden weinig toegepast. „Zo’n zaak moet eerst via de toetsingscommissie. Dat kost tijd en geld. Infiltratie is bovendien al snel uitlokking, waardoor een zaak bij de rechter zwak staat.”

Daders meer straf geven als zij hun encryptiecodes niet prijsgeven, zoals in Groot-Brittannië inmiddels gebeurt, is in Nederland verboden: je mag verdachten niet verplichten aan hun strafvervolging mee te werken. Oerlemans: „Het komt erop neer dat de politie zich vooral richt op de downloaders, de passieve daders. Die zijn makkelijker op te sporen.”

Of Robert M. voor een commerciële aanbieder werkte of lid was van een darknet, maakt voor de slachtoffers weinig uit. Stol: „Eenmaal geüpload gaan die foto’s de hele wereld over. Die krijg je nooit meer uit de netwerken.”