Leve de favela, het getto, de slum

Sloppenwijken moeten worden gezien als oorden van transitie, meent de Canadese journalist Doug Saunders.

Heeft hij daar gelijk in?

Elk jaar trekken 65 miljoen plattelanders overal ter wereld de stad binnen, op zoek naar werk, een huis en een beter bestaan. Doug Saunders beschouwt die trek als het belangrijkste kenmerk van de 21ste eeuw, de eeuw die de mens definitief van boer in stadsbewoner veranderde. Wijken met nieuwkomers hebben volgens hem veel gemeen, of het nu buitenwijken en oude stadscentra in Europa of sloppen in India zijn. ‘Steden van aankomst’ noemt Saunders die plekken in zijn belangrijke boek De trek naar de Stad.

Over sloppen zijn grofweg twee standpunten in te nemen: een fotogeniek verhaal van energie en ondernemerskracht à la Slumdog Millionaire (de film over de jongen die via een quiz ontsnapt aan zijn omgeving) versus de visie van Amnesty International, dat de gruwelijke stedelijke armoede van de 21ste eeuw als een mensenrechtenvraagstuk beschouwt. Saunders neigt te veel naar het eerste, maar dat neemt niet weg dat zijn perspectief een openbaring kan zijn. Beide standpunten zien migrantenwijken immers als statisch, terwijl Saunders er nu juist voor pleit ze te benaderen als een zone van transitie – een plek en een fase waar boeren doorheen gaan om stadsbewoners te worden. Vandaar de armoede van migrantenwijken; wie het beter krijgt, trekt er weg. Wie er woont, neemt volgens Saunders de leefomstandigheden voor lief als de prijs voor een beter leven. Bij zaken als flying toilets (de gewoonte je behoefte in een plastic zakje te doen en dit naar buiten te gooien), aardverschuivingen, gifbelten, open riolen en drugscriminaliteit staat hij daarom – gemakshalve – maar niet te lang stil.

Het klinkt als een open deur, maar het erkennen van het bestáán van illegale sloppen en hun bewoners is vaak al heel wat. Migranten hebben geen rechten en blijven dus steken – vorige week kreeg de Dominicaanse tiener Francia Simon in Nederland de kindervredesprijs omdat ze zich inzet voor de registratie van kinderen uit sloppenwijken, zodat ze naar school kunnen, en naar de dokter.

Maar volgens Saunders kan een wijk vol verse migranten, mits goed gemanaged, werken als een integratiemachine die de kleinere gezinnen, geëmancipeerdere vrouwen en ondernemerstalenten voorbrengt die nodig zijn om ‘de volgende middenklasse te vormen’. Er zou al veel gewonnen zijn door ‘te plannen wat er gebeurt’ in plaats van ‘wat er zou moeten gebeuren’. De informele economie in postcommunistische landen omvat bijvoorbeeld 25% van alle banen, in Latijns-Amerika 50%, in de armste Afrikaanse landen wel 90%. Je kunt dat zien als bestuurlijk falen, maar ook als een manier om uit de armoedeval te komen.

Saunders (1967) is een veelbekroond Canadees journalist (hij won drie keer de Pulitzerprijs). Hij neemt je mee door de favela’s, bidonvilles, kampongs, barrio’s, banlieues, Chinatowns, slums en getto’s van twintig landen. Je leert waarom de machtigste man in Kamrangirchar, Dhaka, de kabel- wallah is, die je tv en internet kan bezorgen, de aansluiting op het nieuwe leven, veel belangrijker dan sanitair of elektra. Je leert hoe registratiesystemen migranten in China én Berlijn belemmeren.

Jaarlijks trekken er meer dan vijf miljoen mensen vanuit voornamelijk rurale ontwikkelingslanden naar het Westen. Westerse politici zouden dat eens moeten accepteren, aldus Saunders. Migranten zullen om economische redenen nodig blijven. Geef ze goed onderwijs en kansen op een baan, en ze zullen volgens hem integreren. Onlusten moeten niet gezien worden als botsing van beschavingen of mislukken van de integratie, maar als protest tegen de onmogelijkheid volwaardig stadsbewoner te worden.

Saunders is een typische man van de derde weg, hij gelooft in de liberale ondernemersgeest, én in een krachtige overheid die voor de basis zorgt. Goede busverbindingen, de mogelijkheid rechten (zoals eigendomsrecht) op te bouwen en zo te integreren – ook het VN-fonds Habitat ziet dat als de voorwaarden voor een gezonde metropool. Maar Saunders wijst daarnaast op het belang van architectuur voor integratie: modernistische naoorlogse wijken à la de Bijlmer waarin wonen en werken strikt gescheiden zijn, en in de openbare ruimte niets is toegestaan, zijn funest voor migranten die zich een weg naar boven willen banen. Nodig is juist een heel dichte bebouwing, met bedrijfsruimtes op de begane grond die callcentrum, wijkpost, winkel en sociaal vangnet tegelijk kunnen en mogen zijn. Hij prijst de vernieuwingsoperaties in deze richting in zowel de Amsterdamse Bijlmer als Slotervaart, al hebben die geen eind gemaakt aan problemen daar.

Saunders geeft weliswaar aan welke kant het bestuurlijk op zou moeten, maar er blijft ook veel achter zijn mondiale panorama verborgen. Zie met een arm, zwak bestuur bijvoorbeeld maar eens een migratiegolf te verwerken na een oorlog, droogte of niet te vergeten een herstructureringsprogramma op het platteland. Saunders pleit voor eigendomsrecht voor migranten, maar vertelt niet hoe bij opwaartse mobiliteit de huizenprijzen laag moeten blijven, heeft het niet over grondspeculatie en evenmin over het lot van de westerse verzorgingsstaat bij het toelaten van grote groepen migranten. Wie De trek naar de stad uit heeft, weet nog steeds weinig van de bestuurlijke onmacht én onwil overal ter wereld om iets voor het ‘menselijk surplus’ in de migrantenwijken te doen.

Helaas kunnen bewoners van migrantenwijken hun lot dus niet zo in eigen hand nemen als Saunders doet voorkomen. Maar dankzij zijn indrukwekkende panorama staan hun steden van aankomst tenminste wel nadrukkelijk op de kaart.

Doug Saunders: De trek naar de stad. Vertaling van Arrival City, door Guus Houtzager. De Bezige Bij, 416 blz. € 29,90