Europa en het werk der herinnering

Het volk bedenkt de politicus die het nodig heeft, niet andersom. Konrad Adenauer, de eerste naoorlogse bondskanselier en ‘goede Duitser’, hielp het verenigde Europa bouwen. Velen twijfelen daar nu aan omdat ze niet meer beseffen wat het alternatief kan zijn, betoogde Cees Nooteboom bij het aanvaarden van de Konrad Adenauer-prijs, gisteren in Weimar.

Op de kloosterscholen waar ik in het vroege begin van de jaren vijftig als intern woonde lazen wij de kranten. Onze rector, een franciscaan met een prachtige Franse naam en een stemgeluid waarin ondanks de Franciscaanse eenvoud een elitaire bijklank – vandaag de dag natuurlijk verdacht – heenschemerde, was de Nederlandse vertegenwoordiger bij de Verenigde Naties, iets wat op ons vijftien, zestienjarigen grote indruk maakte. Achteraf zie ik ons leerlingen als een vroegoud stelletje namaak oude heren dat pijpen en sigaren rookte, over alles een onweerlegbare mening had, en zich indringend met politiek bezig hield alsof we het bestuur van de wereld al in handen hadden, we moesten alleen maar nog wat ouder worden.

En politiek, daar hoorde in die dagen Konrad Adenauer bij. Wie mij toen de dag van vandaag voorspeld zou hebben, inclusief de datum en de leeftijd die ik zou moeten bereiken om die voorspelling te laten uitkomen, zou ik voor gek verklaard hebben.

Het is pas achteraf dat verbanden duidelijk worden. En die hebben te maken met de oorlog – altijd weer de oorlog – het eind van de oorlog, met Duitsland, en met Europa. Maar herinnering is een landschap met valkuilen. Er is datgene waarvan je weet dat het gebeurd is, en datgene waarvan je denkt dat het gebeurd is.

Schrijvers zijn verzinners, fabuleerders. Als ze een verhaal schrijven, zetten ze alles naar hun hand, ook de geschiedenis. Daarbij komt in mijn geval dat ik de neiging heb om te onthouden wat andere mensen vergeten en te vergeten wat andere mensen onthouden. Jaren klonteren aan elkaar, beelden blijven overeind, sommige mensen drijven als archetypische figuren door het mistige landschap van de verleden tijd, je ziet ze boven de gezichtsloze massa deinen alsof ze in een processie worden meegedragen, en als beeld is dat zo vreemd nog niet. Het is niet de politicus die het volk bedenkt, het volk bedenkt de politicus. Dat het daarna lijkt alsof het omgekeerd zou zijn, hoort bij het schimmenspel van de politiek.

Dat doet aan de verdienste van sommige politici niets af. Adenauer was de politicus die Duitsland na de oorlog nodig had, dat wist het volk zoals alleen een volk iets kan weten, zoals het volk ook kan weten dat het de vorige keer een fatale vergissing gemaakt had, al was het maar omdat het voor die vergissing gruwelijk heeft moeten betalen.

Hoe meer verleden je hebt, hoe langer de weg terug is. Het lijkt of het zich wil verbergen. Licht heb je dan nodig, maar licht is er nu eenmaal niet altijd. Krochten, tunnels, plotselinge vergezichten, dan weer een tijdlang niets, maar als ik zo, tastend en zoekend en niet helemaal vrijwillig in het niet per ongeluk gekozen jaar 1954 ben aangeland, dan zie ik een jonge man die met een schrift onder de arm de Gemeentebibliotheek van mijn woonplaats Hilversum binnenstap.

Ik kan mij niet herinneren dat ik in enige praktische zin schrijver heb willen worden, een bewering die natuurlijk in tegenspraak is met het feit dat ik een cahier bij me had, en daar in die bibliotheek dat schrift heb volgeschreven met het eerste hoofdstuk van wat mijn boek Philip en de Anderen zou worden. En ik wist natuurlijk ook niet dat dat eerste boek door een hele reeks andere gevolgd zou worden en dat ik daardoor vandaag hier op een podium zou belanden. Vier jaar later zou dat boek in Adenauer’s Rijnland bij het Eugen Diederichs Verlag verschijnen met de titel Das Paradies ist nebenan, en door vrijwel niemand worden opgemerkt .

Dat Adenauer in 1954 intussen een Europees ikoon was geworden was mij natuurlijk niet ontgaan. Het krantenlezen op kostschool had zijn vruchten afgeworpen, misschien was ik zelfs toen al een Europeaan, en niet alleen in politieke zin. Ik was aan mijn eerste exemplarische Europese lessen begonnen op de enig mogelijke manier, door liftend rond te reizen. Denemarken, Noorwegen, later Frankrijk, de Provence, Italië. Al die landen zouden in dat boek voorkomen – het was tenslotte de enige ervaring die ik had – maar Duitsland niet, Duitsland kwam pas later, een beeld dat via nieuwe vrienden steeds opnieuw moest worden bijgesteld tot ik er eindelijk over kon schrijven, de tijd van de Berlijnse notities en Allerzielen.

In die naoorlogse jaren was het besmet, het was grauw en vernietigd, zoals ook delen van mijn eigen land. De oorlog had ik meegemaakt als kind van 7 tot 11, mijn vader was in februari ‘45 omgekomen bij het Engelse – dat zeg ik er voor de zekerheid maar bij – bombardement van Den Haag, maar daarvoor was ik vanwege de hongerwinter al uit die stad vertrokken. Gescheiden ouders, hongerwinters, bombardementen – het zou oneindig prettig zijn om het er niet meer over te hoeven hebben. Maar het is het materiaal van je leven, je ontkomt er niet aan, zeker niet als je een prijs krijgt die de naam draagt van een man die voor mij onverbrekelijk met die periode vlak na de oorlog verbonden is waarin ik voor het eerst begon te denken, laten we het zo maar noemen.

Misschien was het ook daarom dat dat eerste onschuldige boek een droomboek zou worden, ver van het Nederlandse realisme, en ver van het recente verleden, een poging om het leven bij te kleuren met de lichtheid van de Provence en Ligurië, ver van vernietigde steden en vreemde uniformen, ver van de andere taal die ik ook op kostschool geleerd had, maar die zijn bijklank van oorlog en bezetting zo snel niet kwijt kon raken, taal die luid door de radio geschreeuwd had, en die ik pas later in haar andere gedaante, die eerder hier in deze stad thuishoort, die van Schiller, Herder, Goethe, zou leren kennen. Wat generaties na mij misschien niet goed kunnen navoelen is het soortelijk gewicht van het verleden dat een vijftien – of zo u wilt een twintigjarige, toen al met zich meedroeg en verinnerlijkt had.Waar discussieerden wij over, op die kostschool, en wat voor wereldkennis had ik toen ik als 21-jarige aan dat eerste boek begon te schrijven?

De oorlog, dus, altijd dezelfde, de beelden van de concentratiekampen, de koloniale oorlogen, ook die van mijn eigen land, de gruwelen die daarbij hoorden, de dreiging van een nieuwe, dit keer koude oorlog waarin het er kennelijk Siberisch zou toegaan, het zo goed gevonden literaire beeld van het IJzeren Gordijn en de over de wereld hangende dreiging van de atoombom , waaraan mensen in de laatste vijfenzestig jaar ten onrechte gewend zijn geraakt, zelfs zo gewend, dat president Clinton in zijn regeringsperiode tot drie maal toe de geheime code die nodig is om dit alles vernietigende wapen te gebruiken ergens had vergeten waar hij het zelf niet meer kon vinden.

In mijn boek kwam dat alles niet voor. Ik neem aan dat ik dat toen nog niet kon beredeneren, maar ik moet een radicaal besluit genomen hebben om die oorlog en alles wat ik daarvan gezien en gehoord had, niet toe te laten. Volgde ik de politiek van die dagen? Dat wel, zie boven. Maar toch gebruikte ik daarbij een merkwaardige omweg. Misschien wel een beetje, weet ik achteraf, zoals Borges die in de Tweede Wereldoorlog geen kranten las, maar Tacitus. Dan had hij toch een oorlog, maar eerder als essentie, als de idee van oorlog, en in ieder geval beter geschreven.

Bij mij was het dubbel, want in die gymnasiale dagen moet een levenslange verslaving aan kranten begonnen zijn. Kranten en klassieken, een betoverende mélange, want op kostschool was het Caesar, Xenophon, Livius, Tacitus, Herodotus, dan mengen de klassieke structuren van wat strijd en antagonie is zich niet alleen in het bericht en de waan van de dag zoals die in dagbladen wordt uitgedrukt, maar ook in je eigen herinneringen aan die oorlog. Je proeft voor het eerst de betekenis van woorden als list, aanval, hinderlaag, beleg, terugtocht, krijgsgevangene, en dan herinner je je bij Saguntum plotseling weer Stalingrad.

Dan zijn de arceringen van verovering en gebiedsverlies in het geschiedenisboek eigentijdse realiteiten, dan zie je de verdeling van bezettingszones in het verslagen buurland als beelden uit de historische atlas en krijgen de gezichten van politici in de kranten een glans die ze zonder die lectuur niet gehad zouden hebben. Je leert, kortom, het heden zien als onvoltooide geschiedenis, herkent misschien zelfs patronen, dilemma’s, noodlottigheden, herhalingen, en vanaf dat ogenblik is geschiedenis met alles wat ze aan tastbare herinneringen achterlaat een constante in je leven geworden.

„Jij leest een krant als iets wat al in marmer gebeiteld staat”, zegt later een vrouw tegen de hoofdpersoon in mijn boek Allerzielen, en daar komt het misschien wel op neer, want als je het heden als geschiedenis ziet, zie je via een merkwaardige omkering ook vaak het verleden als actualiteit. Een onverwacht gevolg van deze metamorfoses is dat je in nog levende politici zoals Churchill, De Gaulle, Roosevelt al hun toekomstige standbeeld ziet, wat zichtbaar wordt als ze ondanks hun aureool plotseling een verkiezing verliezen.

Toen Churchill meteen na de oorlog de verkiezingen verloor, was het inderdaad of er een standbeeld omviel. Als De Gaulle en Churchill in de Griekse zin heroën waren, heldenfiguren, dan waren Attlee, Truman en Adenauer eerder van een andere orde van grootte, mannen zonder de parafernalia van bomkraters en zegetochten, zonder een boven alles uittorenende képi, en zonder sigaar vertegenwoordigden zij de terugkeer naar de normaliteit, het langzame uitwissen van pathos, maar toch ook het trage officium van de rouw, het werk van de herinnering, de verzoening, de wederopbouw.

Het is uit deze periode dat ik mij Adenauer herinner. Een paar jaar lang zijn een oude Duitse politicus en een jonge Nederlandse schrijver tijdgenoten. Dat heb ik toen natuurlijk zo nooit beseft, en hij al helemaal niet, maar nu, misschien door die prijs, misschien ook omdat de naam de laatste tijd weer vaker opduikt, houdt hij me bezig.

Hij was voor ons dat merkwaardige fenomeen, een goede Duitser, een catagorie die nu niet meer bestaat, evenmin als een goede Spanjaard of een goede Fransman. Om een goede Duitser te hebben moesten er heel veel foute Duitsers zijn, en die waren er na de oorlog natuurlijk voor het vernederde, bezette, en gedeeltelijk ook vernietigde en door de oorlog verarmde Nederland genoeg.

Wat wisten wij van Adenauer? In ieder geval dat hij niet fout geweest was, in tegendeel. Hij had als burgemeester, toen Hitler al aan de macht was of net zou komen, hakenkruisvlaggen van een brug in Keulen laten verwijderen, wat hem later op een verbanning uit zijn geliefde stad te staan kwam. Dat hij nog weer later, als bondskanselier, vroegere nazi’s voor zijn ambtenarenapparaat gebruikte, viel natuurlijk onaangenaam op, maar dat wisten we uit de Duitse pers die daar ook tegen ageerde, en dat was natuurlijk weer een pluspunt.

Toen bekend werd dat ik deze prijs kreeg, stuurde een Duitse vriend mij een aantal overdrukken uit Der Spiegel, verschenen bij Adenauers dood. Over de afgrond van een massagraf – elke oorlog is een massagraf – reikten een Franse officier en een Duitse burgemeester elkaar de hand, en schiepen daarmee een van de voorwaarden voor het Europa waar wij vandaag in leven. Zij legden, met Schuman, met Monnet, het fundament voor iets waar velen vandaag aan twijfelen omdat ze niet meer beseffen wat het alternatief zou kunnen zijn.

Door een toeval vond ik een paar weken geleden in een antiquariaat in Freiburg een boek met Adenauer-karikaturen uit de periode 1950 tot ’55, een keuze uit 4.000 politiek spotprenten met als titel Konrad, sprach die Frau Mama. Misschien nog beter dan in een geschiedenisboek zie je daarin de spelers van die dagen terug, Eden, Foster Dulles, Mendès-France, Molotov. Eisenhower die Adenauer zijn doctorshoed opzet in de vorm van een Duitse legerhelm, Adenauer vastgebonden aan de mast terwijl de Russische Sirenen hem naar Moskou willen lokken, het verzet van een nieuwe generatie die geen atoomwapens in Duitsland wilde en geen lidmaatschap van de NAVO, dat soort dingen. Het is goed dat allemaal nog eens terug te zien. Maar toch, er is toen iets tot stand gebracht dat ons zestig jaar vrede gebracht heeft, en de vraag is hoe wij daar mee omgaan.

Op het ogenblik waar wij zijn aangeland wordt in sommige Europese hoofdsteden gemord dat Duitsland zijn economische macht te veel gebruikt om andere landen onder druk te zetten. Dat hadden we lang niet meer gehoord. Germany is once more throwing its weight around. Adenauer in zijn dagen had begrepen dat Duitsland dat ook doet als het leeg is, en vernietigd, gewoon, omdat het daar ligt in het midden van ons continent. Hij zag dat hij in de tweedeling die ontstaan was de kant moest kiezen waar hij qua afkomst en instinct het meeste bijhoorde, dat de verzoening binnen Europa de eerste voorwaarde was, en dat de wederopbouw, die hij aan zijn landgenoten kon overlaten, de rest zou doen. Een handreiking naar het Oosten was voor hem een stap te ver.Dat zou later komen, dat zouden anderen doen.

Geschiedenis is een oneindig taaie materie en verbruikt ontzettend veel mensen, alleen al omdat iedereen, ook degene die daar nooit over nadenkt, gewoon geschiedenis is. En daarmee bedoel ik niet geschiedenis als verleden tijd, maar als produkt dat wij allemaal samen vervaardigen, ook als we niets doen, uitsluitend door er te zijn. De immigrant en de populist die zonder rationele argumenten tegen elke vorm van immigratie is, zijn beiden geschiedenis. De lichtvaardige bankier met zijn holle hypotheek en zijn slachtoffer dat uit zijn voorgespiegelde huis gezet wordt, geschiedenis, net zo goed als de islamofoob die schuim op zijn mond krijgt van zoiets gevaarlijks als een hoofddoek op een meisjeshoofd. Degenen die aan Europa twijfelen en degenen die er zo dolgraag van af willen uit nostalgisch nationalisme, ook zij zijn geschiedenis, net zozeer als de zogenaamd grote landen die hun wet willen opleggen aan de al even zogenaamde kleine.

Dat alles had Konrad Adenauer goed begrepen, daarom staat zijn beeld nog steeds recht overeind in de maelstrom van krachten en tegenkrachten die wij Europese geschiedenis noemen. En misschien is het ook daarom dat in tijden van grote turbulentie, van mediaal opgejut nationalisme en paniekzaaierij over een smeltende en weer opvriezende euro het goed is de werkelijke oorsprong van de Europese gedachte niet uit het oog te verliezen.