Niet voller dan op de Serengeti

Het moerassige natuurgebied de Oostvaardersplassen (OVP) in Zuidelijk Flevoland, ruwweg tussen Almere en Lelystad, kreeg vorm toen enige tijd na het droogvallen van de polder besloten werd een groot gebied te creëren waar ganzen voortaan de rui konden doorbrengen. Grote herbivoren zouden moeten verhinderen dat het gebied met wilgen en ander struikgewas dichtgroeide. In 1983 werd een kleine groep Heckrunderen binnen het omheinde terrein gebracht, in 1984 volgden konikpaardjes en in 1992 edelherten.

Het project, dat onder leiding stond en staat van de bioloog Frans Vera, was een groot succes. De ‘grote grazers’ deden wat ze doen moesten. Ze hielden het moerasgebied open en er kwamen de ganzen waarop gehoopt was. Ook vestigden zich ongekende aantallen bijzondere moerasvogels.

De drie populaties herbivoren groeiden voorspoedig, in het begin zelfs ‘exponentieel’, zoals te verwachten is bij herbivoren op zoveel begraasbaar gebied. Na het jaar 2000 vlakte de groei wat af. In maart 2005 ontstond maatschappelijke verontwaardiging toen bleek dat veel grazers de winterkou niet doorstonden. Het publiek had veel dode dieren zien liggen. Er kwam een debat over de wenselijkheid van bijvoeren en er werd een commissie ingesteld die over het beheer moest adviseren. In 2006 deed die de aanbeveling de dieren meer beschutting te bieden en voortaan af te schieten vóór ze door voedselgebrek een natuurlijke dood zouden sterven.

CAMPAGNES

In de strenge winter van 2009/2010 stierven opnieuw veel dieren en nu werden felle campagnes gevoerd om aan het ‘experiment’ OVP een eind te maken. In Nederland was geen plaats voor ‘oernatuur’, vond men, en in ieder geval ging het niet aan om werkeloos toe te zien hoe runderen en paarden verkommerden en al voor hun dood werden aangevreten door vossen. Algemeen was het oordeel dat het natuurgebied overvol was geworden. In ad hoc beleid werden dieren afgemaakt die kennelijk stervende waren. Dat heet ‘laat reactief afschieten’. Weer werd een commissie ingesteld (ICMO2) en die bracht een paar weken geleden verslag uit.

Een analyse die de commissie in de appendix uitwerkt komt tot de conclusie dat veel van de meningsverschillen over de OVP zijn te herleiden tot verschillen van inzicht over de vraag hoeveel dieren het terrein eigelijk maximaal aan kan, wat de carrying capacity (draagkracht) is. Daarvoor bestaan heel verschillende definities.

In de eerste plaats is er de populatie-gebaseerde draagkracht die aangeeft hoeveel dieren zich maximaal staande kunnen houden op het voedsel dat de OVP produceren. Dat is in feite het aantal dat er nu rondloopt want uit verschillende berekeningen blijkt dat de drie diergroepen samen ongeveer hun maximale dichtheid hebben bereikt. Er lopen nu bijna 3.400 dieren, op zo’n 2.000 hectare begraasbaar oppervlak is dat ongeveer 1,7 dier per hectare. Dat gaat vér voorbij de agrarische normen die sommigen wensen op te leggen. Voor onbemest grasland is dat: 0,5 grootvee-eenheid per ha. Maar, zegt Vera, dit ìs geen vee met een gemaximaliseerde melkproductie. Het is hier echt niet voller dan op de Serengeti.

COMPETITIE

De populatie Heckrunderen loopt sinds 2005 in omvang terug, zoals de linkergrafiek laat zien. Het lijkt erop, zegt hoogleraar ecologie Han Olff (lid van de commissie) dat ze de competitie met konikpaarden en edelherten verliezen en misschien wel helemaal zullen worden verdrongen. Frans Vera weet het nog zo net niet; de populatie Heckrunderen kan met ‘undershoot’ en ‘overshoot’ ook gaan fluctueren rond de draagkrachtwaarde.

Voor alle drie soorten geldt dat de procentuele aanwas in de lente in de loop van de jaren steeds kleiner is geworden terwijl de procentuele wintersterfte steeds groter werd. Zowel aanwas als sterfte blijkt namelijk afhankelijk van de omvang van de populatie. Dat is wat de rechter grafiek voor Heckrunderen toont. Bij hoge dichtheden speelt de beschikbaarheid van voedsel natuurlijk een rol.

Gegeven de aanwezigheid van vele konikpaarden en edelherten, heeft de OVP draagkracht heeft voor ongeveer 350 Heckrunderen. Als de populatie precies deze dichtheid heeft bereikt en aanwas en sterfte elkaar in evenwicht houden, treedt jaarlijks aan het eind van de winter een sterfte op van ongeveer 25 procent.

WOLVEN

Dat herbivorenpopulaties in een leefgemeenschap zich handhaven rond hun ‘carrying capacity’ is in de natuur heel normaal, zegt Olff. In de OVP ontbreken roofdieren zoals wolven en lynxen, maar die zouden daar waarschijnlijk niet zo heel veel aan veranderen. Roofdieren beïnvloeden vaak meer het gedrag dan de dichtheid van populaties. De rendierpopulatie op Spitsbergen, die ook vrij van predatoren leeft, vertoont regelmatig een sterfte van 50 procent (Ecography, 2001). Vera verwijst nog naar een artikel in Conservation Biology (juni 1994) waarin geconstateerd werd dat die-offs van 70 tot 90 procent onder zoogdieren verre van zeldzaam zijn.

Dat aan het eind van de winter in de OVP vaak zo’n 25 procent van de dieren gestorven blijkt, is dus niets bijzonders. Toch kunnen er redenen zijn om het zover niet te laten komen, schrijft de commissie. Je kunt als beheerder de draagkracht ook laten afhangen van het type ecosysteem dat je nastreeft. Mag er bos komen of juist niet, moet het een afwisseling van bos en grasland zijn, of alleen maar grasland. Dat bepaalt het beheer. Ten slotte is er nog de draagkracht die wordt bepaald door de stemming in de maatschappij, door de vraag wat het publiek aanvaardbaar vindt – in feite een ethisch probleem. Alle soorten draagkracht zijn verdedigbaar, zegt de commissie, als je maar zegt welke draagkracht je hanteert. Voorlopig is gekozen voor behoud van het ecosysteem.