Een waardevol initiatief dat het niet redde

Het is ongeveer een jaar geleden dat de Academia Vitae ophield te bestaan, en ik mis het nog steeds.

Het was een initiatief van de Rotterdamse economiehoogleraar Arjo Klamer, die na terugkomst van een aantal jaren doceren in de Verenigde Staten vaststelde hoe de denkers en de ideeën die onze cultuur hebben gevormd, vreemdelingen zijn geworden in ons bestaan. Zij komen er niet meer aan te pas, ook niet bij leidinggevenden in het bedrijfsleven en het openbaar bestuur, om onze uitgangspunten en vooronderstellingen te toetsen. Dat leidt voor de mensen in kwestie tot een schraal bestaan, waar het bijvoorbeeld kan gebeuren dat vooral de hoogte van de jaarbonus dient als ijkpunt voor de vraag of het een goed jaar was of een slecht. En voor de organisaties betekent het dat alle besef van waarde, anders dan de platte euro’s, weglekt.

Toch waren het niet de leidinggevenden van het land die Klamer op het oog had toen hij besloot dat hij niet zou gaan zitten kniezen, maar dat hij iets zou gaan doen. Hij wilde jongeren bereiken. Jongeren die in het normale keurslijf van het Nederlandse onderwijs veel te vroeg gedwongen worden tot studiekeuzes en specialisatie. Ze hebben nog niets geproefd van de wijsheid van eeuwen, en moeten al keuzes gaan maken met het oog op hun slaagkansen – dat wil zeggen materieel en maatschappelijk succes – voor de komende veertig jaar.

Klamer kende uit eigen ervaring de Amerikaanse traditie van het liberal arts-college. Dat is een vierjarig vormingsprogramma in de ‘vrije kunsten’, de artes liberales, dat jongeren voorbereidt op verdere professionele training op een graduate-school. Het college sluiten zij af met een bachelor’s degree, een BA; de graduate school met een master’s degree of MA. Het ideaal is dat er een duidelijke cesuur ligt tussen de twee: het eerste gaat om vorming, het tweede om training. Training komt na vorming.

Natuurlijk hebben wij ook sinds een jaar of wat in theorie de bachelor/master- of BaMa-structuur, maar de meeste bachelor programma’s bieden bitter weinig op het gebied van vorming. Als gunstige uitzondering gelden de university colleges die enkele universiteiten vanuit een lovenswaardige ambitie hebben gesticht.

Vanuit de klassieke traditie waren er zeven vrije kunsten, drie voor de onderbouw en vier voor de bovenbouw. De eerste drie vormden het trivium, waar nog ons woord triviaal vandaan komt. Voor ons betekent dat zoiets als onbeduidend of irrelevant; voor de klassieken was het trivium elementair, fundamenteel. Zonder dat kon je niet verder.

De vakken van het trivium waren retorica, dialectica en grammatica – de gereedschappen die je nodig hebt om een argument op te bouwen, te presenteren en te beoordelen. Je moest standpunten en redeneringen in woord en geschrift tot je kunnen nemen, ze doorgronden en ondersteunen of bestrijden. Zo werd je bewust van je eigen waardensysteem, en kon je het ontwikkelen en tegenover anderen uitleggen en verdedigen.

Hoe anders het intussen voor ons is, blijkt bijvoorbeeld uit de WikiLeaks-affaire. Het enige waar het in de berichtgeving over gaat is het eigen gelijk van voor- of tegenstanders, waarbij menig standpunt vaak al veroordeeld wordt voordat het begrepen is. Terwijl juist het opschorten van een oordeel zo verdiepend kan zijn, en voorkomt dat we een complexe werkelijkheid reduceren tot een te simpel ‘voor’ of ‘tegen’. Bij Academia Vitae heb ik zelf ervaren, bij een film van Andrej Tarkovski, hoe door aandachtig studeren mijn aanvankelijke weerzin veranderde in begrip en bewondering.

Klamers ideaal, waarvoor hij veel steun van onder andere de gemeente Deventer ontving, was een liberal arts-college voor jonge studenten. Als bijproduct, bedoeld om het liberal arts-college te helpen financieren, was er een aantal keren per jaar een professional program voor leidinggevenden, voor mensen dus die al verantwoordelijkheid dragen in het economisch en maatschappelijk leven. Ik heb enkele keren zo’n professional program gevolgd.

Klamers motto was de strijdkreet van de Renaissance, ‘terug naar de bronnen’, waarmee hij bedoelde dat we oorspronkelijke teksten eerst gingen lezen voordat we er een mening over ventileerden.

Het maakt echt een verschil als je, met Aristoteles in de hand, moet nadenken over ‘wat is het goede leven, en hoe verhoudt zich dat tot maximaal omzet draaien met het oog op de hoogste bonus?’ Of als je je met Isaiah Berlin moet verdiepen in negatieve en positieve vrijheid, en je dan afvragen hoe vrij je zelf eigenlijk bent, of hoe onvrij je je hebt laten maken.

Maar Academia Vitae moest begin dit jaar zijn poorten sluiten. Door de financiële crisis vielen de inschrijvingen voor de professional programma’s weg, en het bachelor programma was nog te pril om op eigen benen te staan. Voor de studenten is het verdwijnen van een liberal arts-opleiding een verlies; voor de kwaliteit van de Nederlandse leidinggevende klasse is het een ramp.

Die klasse bestaat nu en de komende twintig jaar uit mensen die vooral hebben geleerd over proces, een beetje weet hebben van inhoud, en ondervoed zijn op het gebied van context en betekenis. Zij zijn getraind; niet gevormd. ‘Wat betekent mijn handelen in relatie tot mijn omgeving, en tot 2.500 jaar denktraditie waarvan ik erfgenaam ben?’ – het zijn vragen waarover nagedacht moet worden. Niet alleen omdat ze gaan over het goede leven, maar ook omdat het te duur is het niet te doen.

Dertig miljard euro hebben de reddingsoperaties van de Nederlandse banken tot nu toe gekost – operaties die nodig waren doordat veel hoog opgeleide, maar schraal gevormde mensen totaal de weg waren kwijtgeraakt op het punt van oordeelsvermogen.

Een professional program bij de Academia Vitae kostte 8.000 euro. Duizend professionals en bankiers bijspijkeren in het trivium dat ze vroeger hebben gemist, had acht miljoen euro gekost. Zelfs als dat de kans op deze crisis met slechts één promille had gereduceerd, was het een waardevolle investering geweest.