Luister goed: minimal poolmuziek

Louwrens Hacquebord (Ed.) Op walvisjacht naar Spitsbergen. Een hachelijke onderneming in de Noordelijke IJszee, 1774-1778. Walburg pers, 160 blz. €29,50

Aan het einde van de 17de eeuw kreeg de walvis in de gaten dat de mens niet zijn beste vriend was. In de koude wateren rond Spitsbergen voeren Russen, Britten, Noren en Hollanders rond, op zoek naar leveranciers van grondstoffen voor lampolie, (stop-) verf, lijm, zeep, textielvezelverzachters (alles van tot traan gekookt walvisspek), knekelolie ter machinesmering, grafzerken, hekken, hakblokken, oeververstevigers, landophoging (van de botten), snuifdozen, maatstokken, paraplu’s, waaiers, portretmedaillons, korset- en hoepelrokstructurering (van de baleinen). Het was een ware industrie.

‘Wij woonen in een land druipende van walvischtraan,’ schreven Betje Wolff en Aagje Deken omstreeks 1780 over hun toenmalige woonplaats De Rijp, een dorp dat gonsde van walvisvaartbedrijvigheid. Dat wil zeggen: ‘had gegonsd’. Tegen het eind van de 18de eeuw was het aantal walvissen door de intensieve jacht sterk geslonken. Ze waren bovendien schuw geworden en trokken zich bij de nadering van de mens in het pakijs terug, gevaarlijk terrein voor houten schepen die er niet zelden vastvroren en door de schotsen werden gekraakt.

Uit de late jaren zeventig van de 18de eeuw stammen vier dagboekjes van de Rijper stuurman Fedde Visser (1755-1830), die nu fraai geïllustreerd en deskundig werden uitgegeven door de Noord- en Zuidpoolwetenschapper Louwrens Hacquebord. We hebben duidelijk te maken met de aantekeningen van een varensman. In dit dagboek zijn de koeltjes niet van de lucht. ‘Een mooye coele’, een harde, stijve of ‘aannemende couwe’. Mededelingen over zeilvoering (‘staake in ieder marszeil een rif’), neerslag, zichtrapporten van de bramsteng over ijstoestand en collegavaarders. En uiteraard in verband met de reden van hun aanwezigheid: geblaas van walvissen (in het donker) of bij daglicht waarnemingen van rugbulten die uit de golven opbreken of ademfonteinen.

Als ze een ‘vis’ vangen, dan volgt steevast een inventarisatie van de opbrengst, in de maatvoering van die dagen: ‘58 kwartelen spek en tien pijpjes, twee halfjes, zestien vaten kreng en een halfje.’ Veel is het niet meer. Aantekening van 12 juni 1778: ‘Zage in ’t geheel geen walvis.’ Vaker dan ooit is men gedwongen zich in het pakijs te wagen. In 1777 leidde dat tot het rampjaar uit de Hollandse walvisvaart: zeven schepen vergaan, driehonderd doden te betreuren.

Het aardige van stuurman Fedde Visser is dat hij zijn aantekeningen doorspekt met (godvruchtige) verzen van eigen hand. ‘Het kompas, glas, boek, boog en kaart zijn 5 bequame dingen / om met de hulp van God het schip door zee te bringen. / Als van ’t lant afsteek al op die brakke baare/ zoo ben ik niet bevreest ik hoop Godt zal mij bewaare. / Dog ’t is mij niet genoeg de zoute zee te peilen / ik hoop nog bovendien den hemel te beseilen.’ Aandoenlijk.

Op walvisjacht naar Spitsbergen biedt voor de in walvisvaart geïnteresseerde lezer een hoop herkenbare gegevens, maar ook voor minder arctisch bevlogenen bieden de dagboekjes van Fedde Visser iets heel bijzonders. Ze hebben het monotone van het poollandschap. Soortgelijke elementen worden steeds anders geschikt, met kleine verschillen, eindeloos herhaald. En als men door een eerste gevoel van verveling heen is ontstaat een vorm van betovering die we kennen uit de muziek van minimal componisten als Philip Glass en Steve Reich.

Dit wordt nog eens versterkt door de foto’s van Spitsbergen en Jan Mayenland die Hacquebord in zijn teksteditie opnam. Er gaat iets klinken in dit boek vol keihard arctisch jagersbestaan. Zingende walvissen, piepend want, kreunend hout, de ritmesectie van tinkelende ijspegels aan de ra en schotsen die kraken en breken. Pure minimal poolmuziek.

Wekelijks op www.nrcboeken.nl een nieuwe aflevering van Atte Jongstra’s rubriek ‘Vroeger Vaderland’